Het oude kloosterideaal opnieuw

Twee oude en al lang bestaande kloostergebouwen van de zusters werden grondig vernieuwbouwd, om ze ‘bij de tijd’ te brengen en geschikt te maken voor een nieuw begin van het ene en altijd blijvende ideaal: een gastvrij huis zijn voor mensen-onderweg, een huis van God. Bij de inzegening werd het verhaal over Jacob en diens ladderdroom gelezen en het verhaal over Marta en Maria. Eén verhaal over de roeping van iedere christen: om zelf een levend teken te zijn van Gods mensenliefde, op de plaats waar je staat: het beste deel.

Hier is een mensenhuis gebouwd, voor God, solide, van steen. De Schrift is daar nogal huiverig over, want God is een reiziger, hij is niet aan de grond genageld, hij trekt met óns mee, zonder eígen, apárte vaste plek of verblijfplaats. Hij wil enkel met ons zijn, met jou en jou, met mij, met ons allemaal, dezelfde lucht ademen, met ons lachen en huilen en lijden en genieten. Zó is zijn naam: Emmanuel, God-met-ons. Die naam mag je niet fixeren, érgens, in een huis, willen opsluiten, verdedigen of zeker stellen.

Alleen al híerom niet: álle huizen, kerkgebouwen en kloostergebouwen, klein of groot, worden weliswaar gebouwd om te blíjven en óns te beschermen tegen de tand des tijds, maar vroeg of laat eindigen ze allemaal als een ruïne. De eerste christengemeente en in haar spoor de religieuzen, Franciscus ook en bij uitstek, hebben daarom een ándere weg gekozen. Natuurlijk, er moet gebouwd worden, mensen moeten ergens wonen. Maar wát je bouwt, moet te maken hebben met je verlangen dat het óóit zal gebeuren: dat ‘Gód álles zal zijn voor állen’ (1 Kort. 15, 28) en dat je het dáárom moet durven zeggen en doen: álles wat wij bouwen is van állen (Hand. 2, 42-47). Zó’n mensenhuis is hier gebouwd, een gebouw als een soort lichaam voor mensen die hun geloof in Gód, hun inspiratie, hun spiritualiteit, het ‘kasteel van hun ziel’, het kostbaarste, het béste dat ze ‘hebben’, niet veílig willen bewáren maar ernaar verlangen het ter beschíkking te stellen voor anderen. Want God is een reiziger, hij zoekt gastvrijheid in een mensenhuis dat een huis van Gód wil zijn voor ménsen onderweg. Zoals dat het geval was bij Martha en Maria: zij ontvingen hem, de Heer, God-met-ons, in hun huis, het beste dat een mens kan overkomen, ook al weet niet iedereen hoe je daar dan mee moet omgaan, Martha en Maria waren het er daar in ieder geval niet over eens.

Een ménsenhuis als huis voor God. Er waren mensen die, toen wij aan het nieuwe begin begonnen te denken, ons voor gek verklaarden, heel plausíbel overigens: ‘Kijk toch om je heen: congregaties sterven in hoog tempo uit, kloosters verdwijnen, is het religieuze leven in zijn huidige vorm niet een relict uit een voorbíj verleden, lijkt zo’n nieuw begin niet gevaarlijk veel op hoefsmeden die proberen een garage voor elektrische auto’s te beginnen? Heeft het religieuze leven nog wel zín?’ Zeker, de wereld dendert in hoog tempo voort, veranderingen, vooruitgang, steeds sneller, onweerstaanbaar lijkt het, mensen kunnen steeds meer, en hoe méér ze kunnen des te urgénter het wordt om de boot niet te missen, al is het uiteraard de vraag: wélke boot dan wel, en waarnaartóe? “Pas toch op” zei Augustinus heel wijs, “laat het oor van je hart niet doof worden van het gerammel van je eigen leegte” (Belijdenissen, IV/6). Heeft het religieuze leven nog wel zín? Zo vraag je aan het religiéuze leven wat je aan jezélf moet vragen: heeft het léven nog wel zin?

Religieuzen willen een teken zijn, van vlees en bloed: ‘Kijk goed, als je lééft zoals wij, dan heeft je leven zín.’ En dat ‘zó’ moeten de zusters en de paters en de broeders altijd maar weer uítvinden: wat is hier en nu, in onze veránderende wereld, een lévend teken van Gód, God die dichterbij is dan je denkt, omdat hij bij de mensen ínwoont, God-met-ons?

Aartsvader Jacob moet alles wat hem vertrouwd is verlaten, een buitengewoon onzekere toekomst tegemoet, net als wij. Hij gaat slapen: ook een verlóren gelopen mensenkind, ergens alléén op de wereld, heeft slaap nodig, gewoon langs de weg. Wíj denken ergens in ons hart al aan het Psalmvers: ‘God geeft het zijn beminden in de slááp’ (Ps. 127, 2). Jacob denkt dat níet, nóg niet. Hij slaapt, droomt, móóie dromen, bánge dromen, net als wij. Wanneer hij wakker wordt, is er in de wereld om hem heen niets veranderd, hij is net zo alléén als vóór hij sliep, maar met twee voeten stevig op de grond gaat het in hem op, licht als op de morgen van Pasen: ‘God is híer, altijd hier; ik wist niet dat ik, waar ik ook ben, altijd huis van God ben.’ Geen constatering, maar een ópdracht: ‘Blijf niet staren op wat vroeger was, zie, Ik ga iets nieuws beginnen. Zie je het niet?’ Waar God in de hémel naar verlangt moet op áárde gebeuren: God-met-ons, met jou en jou, hier en nu.’

In íeder mens bouwt God zijn huis. Een huis van líefde, want, geloven wij, Jezus Christus achterna: God ís liefde (1 Joh. 4, 8). Niet in abstracto, maar heel concréét: ménsenliefde, van de een tot de ander, hier en nu. Dáárvan wil het religieuze leven een teken zijn, lévenderwijs, met twee voeten op de grond. Meister Eckhart zegt: ‘Zó geschift (vertoeret/vernarrt) is God door zijn liefde voor ons, dat het lijkt alsof hij de hemel en de aarde en heel zijn eígen gelukzaligheid, ja heel zijn gódheid vergéét, om enkel met míj van doen te hebben en míj alles te geven wat míj leven doet’ (Predigt 79). God vindt zijn vreugde dus in het ónherhaalbare bestaan van íeder mens. Zó heeft hij de mensen lief, zó woont hij met de mensen, één voor één, zó is hij hun tochtgenoot. Maar zonder ménsen die dat dóen, is God nérgens. Het religieuze leven wil een levend teken zijn van die góddelijke liefde: dat íeder mens door God wordt bemind, dat íeder mens daarom beminnenswaard is, en dat wíj, als wij hier en nu de mensen niet één voor één durven beminnen, kennelijk niet in Gód geloven.

Hier is een huis gebouwd, een gástvrij huis, hopelijk voor heel veel mensen, mensen tezamen, mensen één voor één. Er zal veel te dóen zijn, veel níeuwe dingen ook, want de wereld verandert sneller dan we kunnen bijhouden, en we zullen steeds opnieuw moeten uitvinden wat het béste deel is, wat het béste is dat we kunnen dóen. God is altijd hier, het maakt niet uit wáár je bent, het maakt wél uit wát je daar dan dóet. Denk aan Martha en Maria. Het beste deel: jezélf geven, het béste van jezelf, zoals God dat doet, jouw liefde: een tocht naar het onbekende dat vóór je ligt, en naar het onbekende ín je. “Ik en jij, ik en de anderen, één voor één, gewild en bewoond door het geheim van God” (Id., Predigt 86). En dáárvoor het beste van jezelf geven, aan mensen één voor één.

Hier is een mensenhuis gebouwd voor Martha’s en Maria’s, een huis dat de zusters, met twee voeten op de grond, willen openstellen voor mensen onderweg, om zó een huis voor God te zijn, en om ook zélf daardoor thuis te komen bij hém. Want God is een trekker, een tochtgenoot. Hij verlangt mét ons te zijn, zo dicht als mogelijk, met jou en mij, één voor één, wat er ook gebeurt. Ook híer, in dit huis van steen: een unieke plaats waar hij God-met-ons is, in óns leven van vlees en bloed, van affectie en vriendschap, zodat het voor íeder mens die hier wil zijn ís alsof hij de énige is die ertoe doet. Amen.

André Zegveld

Lees verder...

Preek van de week

27-01-2020

Hoe ziet een mens in wie Góds Woord vlees en bloed wordt eruit, een mens die laat zíen hoe je leven moet zónder door de

Lees meer
Preek van de week

Preek van de week

27-01-2020 Lees meer

Geschiedenis schrijf je samen

03-12-2019

Op 22 november herdachten wij in Denekamp het 150 jarig bestaan van onze congregatie, de congregatie van der zusters Fra...

Lees meer
Geschiedenis schrijf je samen

Geschiedenis schrijf je samen

03-12-2019 Lees meer

Kerstmis

26-11-2019

Nog een paar dagen, en dan vieren wij het feest van Kerstmis: de geboorte van Jezus. Op 24 december vieren we de Kerstna

Lees meer
Kerstmis

Kerstmis

26-11-2019 Lees meer