Alles in je hart bewaren [Nieuwjaar/Lc. 2, 16-21]

‘Maria bewaarde alles in haar hart en overwoog het bij zichzelf’

Alles in je hart bewaren  [Nieuwjaar/Lc. 2, 16-21]

Nieuwjaar vandaag. Feest van Maria, de moeder Gods. De evangelielezing bracht ons terug naar de stal van Bethlehem, naar Kerstmis, een week alweer geleden, en naar nu, acht dagen later, de dag waarop het kindje Jezus besneden werd. Een paar woorden daarover, over wat dat evangelieverhaal ons te zeggen heeft.

Allereerst weer terug naar Bethlehem. Maria bewaarde wat er allemaal gebeurd was, vanaf de boodschap van de engel over Jezus tot en met het kindje in de kribbe, Maria bewaarde dat alles in haar hart om het dáár te overwegen en op te slaan als een boodschap van Godswege. En we weten: ze zal dat levenslang blijven doen: alles wat Jezus, haar kind, betreft in haar hart opslaan om het dáár te overwegen, te aanvaarden, het begrijpelijke en het onbegrijpelijke alles. Het staat er niet voor niets: zó laat Maria zien hoe een gelovig mens er uitziet: het is een mens die vanuit zijn hart zoekt naar de boodschap van Gods wege die in alles en alles dat een mens overkomt en overkomen kan verborgen gaat.

En dan Jezus’ besnijdenis. Maria’s kind hoort daardoor niet enkel bij zijn ouders, zijn kleine familie, neen, het gaat van nu af aan horen bij de grote familie van mensen die sinds Abraham op weg zijn naar het door God beloofde land, een land uiteindelijk nergens op de landkaart te vinden is, maar dat je samen met de anderen moet zoeken door er met de verlangens in je hart al naar toe te leven. Jezus wordt op dat spoor, op die weg gezet, als één van de vele nazaten van Abraham. Hij is voortaan als kind van Adam geen mens-van-niets meer, maar als kind van Abraham een mens-van-iets, een mens met een belofte, een opdracht, een roeping: om op weg te gaan naar het beloofde land, naar het rijk, het eigen domein van God. En wij hier, wij denken dan terug aan wat er met ons gebeurd is toen we ter wereld kwamen en na een paar dagen, of later, met onze doop op diezelfde weg werden gezet. Hoe wij daardoor niet enkel deel uitmaakten van onze kleine familie, maar een mens van die grote familie werden die al begonnen was met Abraham en later met Jezus. Onze roeping als mens: om zoekend naar het rijk van God mens te worden zoals Jezus.

Hoe ziet zo’n mens eruit? Het is een mens van God, een mens die met hart en ziel en huid en haar een zégen wil zijn voor anderen, een mens met eigen een voornaam, Annie, Jan of Antoon, maar met een gemeenschappelijk achternaam: ‘Christen, God redt, Ik zal er zijn voor jou.’ Een mens die een zegen voor anderen wil zijn door zelf een gezegend leven te leiden.

Een zegen zijn. Het is nieuwjaar, en dan is het goed dat nieuwe jaar ook goed te beginnen. Want elk nieuw jaar -of je nu jon g bent of oud, vol energie of door een lang leven al een beetje afgemat, een beetje veel zelfs- elk nieuw jaar is een tijd van genade en zegen; is een jaar, een maand, een dag om als nieuw op zoek te gaan naar het beloofde land dat nergens op de landkaart te lokaliseren en te vinden is, maar dat je binnengaat door een zegen voor elkaar te zijn. Denk daar vandaag ‘ns over na, overweeg het in je hart: wat verhoop je van het nieuwe jaar? Waar ga je met jouw tijd van leven, het kostbaarste dat je hebt, naar toe, waaraan en vooral aan wie geef je het? Aan wie op de eerste plaats? Voor wie wil je er zo goed als God zijn? Durf daarvoor in je hart kijken, stil worden om, net als Maria, in die stille meditatie iets te gaan vermoeden van wat God van jou verlangt en voor jou in petto heeft. Voor jou, en via jou voor al jouw broers en zussen van jouw grote familie. Denk vooral niet spectaculair. Kijk er met de ogen van je geloof naar, zoals Maria, om het te leren zeggen wat zij ooit zei ‘zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Góds woord.’

Een zegen zijn, met héél jouw leeftijd, hoe klein of beperkt die ook mag zijn. Er ligt weer een nieuw jaar vóór ons. ‘Waar blijft de tijd’ zeggen mensen graag wanneer ze ouder worden, en hebben we misschien gisteravond ook zelf gezegd. Nu zeggen we: ‘waar gaat de tijd naartoe?’ Waar geef ik mijn leven aan, hoe klein dat leven ook is? Misschien dít: dat ieder van ons, ieder naar diens eigen maat en mogelijkheden, een zegen mag zijn voor anderen. Bidden we daarvoor. Bidden we ‘dat de glans van Gods liefdevolle gelaat over ons, over jou en mij, over de mensen om ons heen, ja over alle mensen, mag gaan stralen. Dat de tijd vóór ons een mooie tijd mag zijn, een goede tijd, een heilzame en gelukkige tijd, ook voor vluchtelingen en daklozen, ook voor verloren en vastgelopen mensen, voor iedereen een tijd van omzien naar elkaar, een tijd van Góds zegen. Zalig Nieuwjaar!

André Zegveld