[Paaswake]
Paaswake, zusters en broeders, de grote herinnering aan het hartstuk van het geheim van ons geloof: Jezus’ ópstanding uit de dood, Jezus’ óvergang van dood naar leven, ons grootste feest. We hebben deze avond in verkorte vorm heel het Schriftverhaal gelezen, van den beginne van alles af aan tot hier en heden, tot de engelenboodschap aan de vrouwen van tóen die met groot verdriet en nog groter onbegrip niet wisten waar zij de in de dood verdwenen Jezus toch moesten gaan zoeken, de engelenboodschap die ook voor ons híer bedoeld is. “Zoeken jullie Jezus, de Gekruisigde, de mens die Gods mensenliefde in levenden lijve is? Zoekt Hem niet in wat voor graf dan ook, Hij is verrezen, en Hij loopt op jullie vooruit naar de plaats waar jullie wonen, Galilea dus ooit, maar ook Denekamp, Lattrop, Tilligte, en Oldenzaal. Dáár zullen jullie Hem zien.” We hoorden: toen de vrouwen van tóen op weg naar Galilea gingen, kwam Jezus hen daar al tegemoet, zoals nú in Denekamp en zo. Zó eenvoudig is het dus: Pasen, gewoon van mens tot mens. Wáár moeten wíj Hem dus zoeken? Gewoon tussen de mensen met wie wij het leven delen, thuis, in je eigen leefomgeving. Vandááruit loopt Hij ons tegemoet. Je dus niet afvragen, al die moeilijke vragen, over wat er in die eerste Paasnacht ooit is gebeurd, maar de plék opzoeken waar Hij op jóu tegemoet komt, opdat dáár zal gaan gebeuren wat ooit in die eerste Paasnacht is gebeurd. Wáár moet je Hem dus zoeken? In en tussen de mensen dáár, ergens in Denekamp, Tilligte of Lattrop. Kun je Hem, de uit de dood opgestane Heer, in de mensen dáár herkennen? En dus, de grote vraag: hoe moet je met het oog dáárop om je heen gaan kijken?
Je moet Hém zoeken door de ménsen op te zoeken op de manier waarop Híj de mensen opzocht om hen voor het léven te openen dat van-Gód is. Jezus deed dat niet vanuit den hoge, door hen met veel geloofswaarheden en onfeilbare zekerheden te bezwaren, neen, Hij vroeg hen símpel of Hij wélkom bij hen was. Hij was een mens die zó vol van God was dat Hij nergens een eigen plek had waar Hij zijn hoofd kon neerleggen en slapen. Hij moest dus continu door de mensen om Hem heen gastvrij ontvángen worden (Lc. 9, 58). Tegen Zacheus die hoog in een boom was geklommen om Hem te zien te krijgen, zei Hij: ‘Kom vlug naar beneden, ik wil vandaag nog bij jou te gást zijn (Lc. 19, 5). En Hij stuurde zijn leerlingen, ons dus óók, op wég met déze opdracht: “vertróuwt op de gastvrijheid van de mensen die jullie zullen ontmoeten, en wéét: als de mensen júllie ontvangen, ontvangen ze Mij” (Mt. 6, 10 en 10, 40).
Zó begint Pasen, de opstanding uit de dood: de ánder durven vertrouwen, met een ópen hart in hem of haar durven gelóven, met name dan weer eerst en vooral díe mensen bij wie dat normaliter het minst voor de hand ligt, de mensen aan de rand en van de kant. Want díe mensen, dat was Jezus’ diepste overtuiging, díe mensen zullen zelfs éérder voor Gods rijk opengaan dan jíj, jíj en wij (Mt. 21, 30). Dat was Jezus’ eigenste ervaring: als je zó met mensen omgaat, dan gaan de mensen open voor jou, en dus voor God, van binnenuit, dan wordt door jóu de Blijde Boodschap van Gods mensenliefde aan hen verkondigd, en door hén aan jóu, gelijkelijk, van mens tot mens. Een wéderzijds herkennen van de sporen die de verrezen Jezus incognito op aarde heeft achtergelaten door op ons állen vooruit te lopen. Zó gebeurt Pasen, hier en nu. Dát was de engelenboodschap voor de vrouwen van tóen en de engelenboodschap voor ons hier en nu: “Hij, de Gekruisigde, in de dood verdwenen, Hij vertrouwt zich toe aan óns, aan ons wéderzijdse vertrouwen in elkaar. Zó zal overal en steeds weer opnieuw gebeuren wat er in die eerste Paasnacht met Hem gebeurd is. Gaan jullie dát toch overal vertellen, dan zullen de mensen Hem overal gaan zien.”
Het is dus ook ónze zending om het overal te gaan vertellen en vooral vóór te leven hoe de mensen God kunnen ontmoeten door Jézus te leren zien. Hoe vertellen en voorleven? Door de mensen om ons heen te durven vertrouwen en in hen te geloven, door hen op die manier de ogen te openen voor de Levende die ook in hén leeft, door de Blijde Boodschap van Pasen uit te stralen en het begin van de Páásboodschap te verkondigen: ‘ik durf jou te vertrouwen omdat ik geloof dat Gods eigen lévensgeest uiteindelijk het léven is van jóuw leven.’ Op die manier dus zéggen, zonder het met woorden te zeggen: ‘zó komt God op ons beíden toe.’ Díe vorm van mensenliefde is besmettelijk, van mens tot mens. Gód is besmettelijk, van mens tot mens. En wíj hier, wij zíjn er om daar levender wijs van te getuigen, een getuigenis dat ons wéderzijds doet opstaan uit de dood. Daarom: onbevangen omgaan met de mensen om je heen, het aandurven om je aan hen toe te vertrouwen door erin te geloven: ook in hén leeft God die op míj wacht. Zó komt God dus op ons beiden toe. De kerk is de gemeenschap van mensen die dát aandurven, en die ernaar verlangen om ook zelf zó door God gevonden te worden, aan de dood van zelfbehoud en egoïsme voorbij. Daar begint Pasen. Bidden we dat wij zúlke mensen zullen worden en zijn, mensen die in de mensen om hen heen de Verrezene herkennen. Zalig Pasen. Amen
André Zegveld