De weg naar de hemel

Hemelvaart

De weg naar de hemel

Hemelvaart, zusters en broeders: de aardse Jezus verdwijnt in de hemel, in het grote geheim van de intimiteit met God, iets dat ook onszelf moge overkomen, aan het einde van ons aardse mensenbestaan. Want, zou Meister Eckhart ervan zeggen, ‘wat heb ík eraan dat Jezus ten hemel is opgenomen als dat niet ook zal gelden voor mij?’ Veel mensen, zijn geneigd om bij het woord ‘hemel’ voornamelijk te denken aan wat er ná hun dood gebeuren zal, als hun stoffelijk overschot begraven wordt, ergens of hier op het kerkhof, terwijl zíj dan in het grote geheim van Gods intimiteit zullen zijn opgenomen, verdwenen dus (zeggen mensen graag) in of aan gene zijde, wat en waar die zijde ook moge zijn.

U moet weten: het woord ‘hemel’ is een ander woord voor ‘God’. Waar is de hemel? De hemel is waar God is; overal waar God is, daar is de hemel. En denkt dan vooral ook aan wat Paulus ooit zei: ‘God? Hij is ieder van ons zo nabíj als maar kan, want in Hém leven, bewegen en bestaan wij’ (Hand. 17, 28). God is, met andere woorden overál en tegelijk ook nergens, want wíj kunnen Hem niet aanwijzen, niet de vinger op Hem leggen, Hem lokaliseren. ‘Hij is liefde,’ zegt Johannes (1 Joh. 4. 8.16). Óveral dus waar liefde is tussen de mensen op aarde, dáár is God, God die als het ware verdwijnt in wat ons, mensen, met elkaar verbindt. En dáárom: ‘hemel’, dat andere woord waarmee we God aanduiden, het geheim van Gods intimiteit, líjkt ver weg maar is tegelíjk zo dichtbij als maar kan, zo dichtbij als een mens, maar je kunt nooit de hand op dat geheim leggen.

De hemel, de intimiteit van Gods eigen geheim, het is dus geen aparte plek ergens ver weg of hierboven, het is een plek die geen plek is, een plek tússen ons, mensen, in. De aardse Jezus is erin verdwenen, erin opgestegen, en Hij zit daar, zeggen we in de Geloofsbelijdenis, Hij ‘zit daar aan de rachterhand van de Vader.’ Dat geloof ik, met hart en ziel. Maar Hij zit daar, geloof ik ook met hart en ziel, niet als enige, want heilige mensen, mensen dus die tijdens hun aardse leven met grote overgave en hartstocht de intimiteit met God hebben gezocht en die al gestorven zijn, zitten daar óók: Sint Franciscus bijvoorbeeld, de heilige Clara, Augustinus, Edith Stein en de Boeddha. De hemel is de plek van intimiteit met God, en God is overal waar mensen, op welke manier dan ook, met de zelveloze liefde die Gód is hun leven verlangen en verlangden te leven, en die God hebben gezocht ín, voor en met andere mensen.

Waar moet je naar zoeken als je God zoekt? John Donne, een heel grote, Engelse dichter. anglicaans priester en tijdgenoot van Shakespeare, zei het ooit zó: ‘De wég naar de hemel ís de hemel.’ De weg naar de hemel begint dus niet ná ons overlijden, die weg begint altijd en overal al hier en nu, als je hier en nu Góds intimiteit zoekt. Hoe zoekt, wat zoekt? Jezus is ons op die weg voorgegaan. Hij zocht levenslang. met alles van zijn leven, in, met en voor de mensen naar het rijk van God, naar het geheim van Gods intimiteit overal en altijd, in alles en allen. Hij zei bijvoorbeeld dat een met liefde gegeven beker koud water aan een dorstig mens, dat het troosten van een mens met groot verdriet of dat een stuk brood geven aan een bedelaar, dat geheim van Gods intimiteit heel dichtbij brengt, en vult u dat verder zelf maar aan, hoe gewoner hoe beter. Dat kán ook niet anders, want wij leven, bewegen en bestaan in Gods geheim, maar we hebben daar vaak geen oog voor. Maar als wij ervoor ópengaan, en vooral: als wij ernaar gaan dóen, dan is het steeds opnieuw Pasen en Hemelvaart tegelijk, overgang van de aarde naar de hemel. De kortste samenvatting van al wat wij geloven.

Wij vieren vandaag de hemelvaart van Jezus. We vieren vandaag dus ook onze eigen hemelvaart. Díe hemelvaart begint hier en nu, als we hier en nu de wég naar de hemel zoeken. Die weg begint dáár waar wij, ieder van ons, de weg naar de ander zoeken om voor die ander zo goed als God te zijn, aan alle zelfbekommernis en andere vormen van egoïsme voorbij. De hemel is dus heel dichtbij, dichterbij dan je denkt. Je moet je daarom niet dóódstaren op wat er ná je begrafenis met je zal gebeuren, maar hier en nu en al vóór de dood van je mensenbestaan de weg zoeken naar het ware leven in de intimiteit met God. Hoe? Door je Góds liefde ‘eigen’ te maken en op die manier al dag in dag uit óver te gaan van de aarde naar de hemel. Dáár gaat ons geloof uiteindelijk over, en dát mogen we vooral nooit uit het oog verliezen, zoals de leerlingen van het begin dat dreigden te doen door naar boven te staren en uit het oog te verliezen waar ze Jezus, verdwenen in Gods geheim, moesten zoeken in de mensen om hen heen.

‘Het is goed voor jullie dat Ik heenga,’ had Jezus al bij het laatste avondmaal gezegd, en vandaag zegt Hij: ‘niet naar boven blijven kijken.’ Het is voortaan aan óns om hier en nu Gods intimiteit te vinden, op aarde zoals in de hemel, langs de wég die Híj, Jezus, ons is voorgegaan, de weg van een mensenliefde die tot het uiterste reiken wil. Vieren we zó Hemelvaart. Amen.

André Zegveld