Doop van de Heer [Mt. 3, 13-17]

Enkel gedoopt zijn is niet genoeg

Doop van de Heer  [Mt. 3, 13-17]

Met het feest van de doop van de Heer, wordt Kerstmis afgesloten. God werd mens in een kind, zeker. Maar dat was enkel het begín. Jezus, Gods eigen mensenwoord van vlees en bloed, is niet geboren om kind te blijven, maar om een volgroeid méns te worden, om ‘te groeien in wijsheid bij God en bij de mensen’ en met héél zijn menselijke levensloop een lévengevend woord van God te zijn, tot in zijn dood toe. Vandaag vieren we dat Hij, na een lange incubatietijd van groei daar klaar voor is. Zijn doop is er het teken van.

Wanneer Hij zich laat dopen zegt Hij tegen Johannes de Doper U hoorde het: ‘Het past mij om álles te gaan doen wat mensen tot hun récht laat komen.’ Jezus beseft dat het zijn zíjn levensroeping is om vol van Gods eigen Geest de honger en de dorst van de mensen naar léven te verzadigen. Wat dát inhoudt, las Hij en lazen ook wij, bij Jesaja: ‘Niet roepen, niet schreeuwen, je stem niet verheffen, het geknakte riet niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, blinden de ogen openen en gevangenen bevrijden.’ Hij is daar jarenlang naar tóe gegroeid, en heeft nu eindelijk zijn roeping gevonden: als een volgróeid mens, vol van Gods vurige levensgeest.

Johannes de doper had het zelf gezegd: ‘Ïk doop met water, maar Hij, Jezus, Híj zal gaan dopen met de heilige Geest en met vuur.’ Want Gods Geest is vuur, een vúúr dat alle beelden en voorstellingen die mensen zichzelf van God maken te niet doet. Dat was ooit al begonnen bij de berg Sinaï, toen God zich aan het volk Israël openbaarde. Mozes had daarover gezegd: ‘God zélf sprak toen tot jullie, vanuit een groot vuur, jullie zagen toen niemand, er was alléén maar een stem, en die stem sprak over Gods verbondenheid met jullie en zei: ‘Niet bang zijn, Ík, Ik-ben, Gods eigenste naam, Ik ben met jullie.’ Dát is wat Jezus nu bij zijn doop overkomt. De hemel gaat open, er is een open verbinding tussen God en de mensen. God is dus niet vér, God leeft niet opgesloten in zijn eigen ontoegankelijkheid, neen, een mens kan als het ware tot bij God binnenkijken. Dát overkomt Jezus: de hemel gaat over Hem open en er is een stem, de stem van God, God die Hij niet ziet, enkel hoort zeggen: ‘Ik heb welbehagen in jou, jíj bent het, mijn geliefd kind.’ God is,’ zal Paulus veel en veel later zeggen, ‘God is een mensenvriend,’ want ieder mens is Gods uitverkoren geliefde en dus het wáre beeld van God, alle ándere beelden zullen worden verteerd door het vuur van Gods eigen levensgeest.

Jezus weet zich vol van dát vuur. Het is een Geest die mensen léven doet, mensen vernieuwt, heelt en het goede voor hen zoekt. Jezus beseft: dát is het diepste en kostbaarste van en in Hem, en Hij weet zich gezónden níet om te veroordelen, te vervloeken of te vernietigen, maar om tot zégen te zijn, om mensen op te bouwen, hen te bevrijden van al die goden en machten die dát tegenspreken, al die machten en krachten die mensen beroven van hun menselijkheid. Hij, Jezus, ís er om het tot ieder mens te zeggen: ‘Jíj, ook jíj bent, net als ik, Gods enige.’ Met dát vuur wil Hij de mensen gaan dopen. De eerste christenen waren er dan ook van overtuigd: gedóópt zijn met wáter alléén is niet genoeg, je moet ook vol raken van de Geest van Jezus, vol van zíjn levende en levengevende Geest.

Wíj zijn ooit gedoopt. We hebben er indien nodig zelfs een briefje van, een doopbewijs, een soort paspoort dat wij bij de mensengemeenschap van Jezus horen. We denken vandaag aan onze eigen doop. Enkel gedoopt zijn in nog lang niet alles. Door welke géést worden wíj bewogen. Wat is ónze eigen passie, wat de passie van onze kerkgemeenschap? Hoe staat het met het vuur van Gods Geest: met de roeping om proféét te zijn, profeet van Gods Geest, van de vurige mensenliefde van God zelf, als kerkgemeenschap, zeker, maar ook als de mens die je zelf bent.

We staan vandaag daarom óók stil bij onze eigen doop. Een gewetensvraag: luisteren we als gedoopte mensen wel genoeg naar wat de Géést ons te zeggen heeft, díe vurige liefde van God die naar menselijkheid verlangt, die mensen heel maakt en bevrijdt, hen met elkaar verbindt met een mensenliefde zonder-waarom, Gods Geest die ons ertoe aanzet dat óns mensenleven genezing zal betekenen voor het leven van anderen, heling voor wie in de knel zit of wegzinkt in versombering. En vult u zelf maar aan. Voor Jezus was zijn dóóp een kéérpunt: om vanaf tóen vol van Gods vuur overal te gaan vertellen wat Hij bij zijn doop ervaren heeft: dat God een Vader is; dat deze Vader wil dat mensen, álle mensen, er zíjn, ónverkort en ónvervormd, héél, ieder mens, en dat Hij, Jezus, dáár alles voor over had.

Vandaag, met de Doop van de Heer, eindigt Kerstmis, het grote feest van Jezus’ gebóórte, van het begin van Gods menswording. De tijd ‘door het jaar’ is weer begonnen, de tijd van alledag waarin we ons dag in dag uit moeten afvragen: wat nú, hoe wordt Gods mensenliefde mens in míj, in jóu en jou, in ons allemaal? De tijd waarin wij Jézus’ gebóórteverhaal met óns levensverhaal willen dóórvertellen, door ons kleine leven te gaan leven op zíjn manier, dáárin te groeien en te groeien, gaandeweg vol te raken van Gods vurige liefde, en op die manier verkondigers te worden van Gods Blijde Boodschap. Bidden we daarvoor. Amen

André Zegveld