‘Vastberaden ging Jezus op weg naar Jerusalem.’
Het stukje evangelie dat we zojuist hoorden, begint eigenlijk al een aantal hoofdstukken eerder. Toen Jezus het, bij zijn verheerlijking op de berg, mocht horen dat Hij Gods geliefd mensenkind was, toen drong het tot Hem door dat de consequentie ervan zou zijn dat Hij een schandelijk einde door mensenhand tegemoet zou gaan. Maar Hij durfde het tóch aan: vastberaden ging Hij op weg naar Jeruzalem, de plaats waar dat alles zou gebeuren.’ Hij gelóófde erin dat Hij op díe manier Góds toekomst tegemoet ging. Een hoop mensen liepen met Hem mee, mensen die goed om zich heen keken en beseften: ‘het leven is niet eerlijk’, kijk maar naar de blinde alomtegenwoordigheid van de dood door politiek en religieus geweld, domme ongelukken en natuurgeweld. Die mensen zochten naar een plausibele verklaring van dat alles, oorzaken en gevolgen: ‘zouden mensen dat soms verdiend hebben omdat ze zondaars zijn, laat God dat domweg toe, is God soms wraakzuchtig,’ en vult u zelf maar aan. Jezus zegt dan: ‘als jullie zó blijven denken en vragen, dan sluit je jezelf uiteindelijk op in ‘het ís nu eenmaal zo, het leven is nu eenmaal de eeuwige herhaling van steeds hetzelfde. Ga er daarom ánders tegenaan kijken, God is dichterbij dan je denkt.’ En Hij verduidelijkt dat dan met een vergelijking, een parabel: over een man die een eigen vijgenboompje heeft in de grote wijngaard van iemand anders. Die man theoretiseert niet over oorzaken en gevolgen, hij gelóóft in de toekomst ook al is die ongewis, weet er zich verantwoordelijk voor, wérkt eraan en neemt zo als het ware een optie op de toekomst: hij gaat zorgen voor dat ene boompje dat hem is toevertrouwd, want als een mens dat níet doet, verándert er nooit iets.
Die parabel is Jezus eígen levensverhaal. Hij was vol van Gods mensenliefde-om-niet voor ieder mens, en zag in: ‘daar moet ik alles voor overhebben, tot en met mijn eigen leven.’ Dáárom gaat Hij vastberaden op weg naar Jeruzalem, de plek waar dat zal gebeuren. Onderweg vragen mensen Hem: ‘wat moet je nu in godsnaam denken over álles wat er in de wereld zo’n beetje eeuwigdurend te zien is?’ Dat was, denk ik, de vraag waarmee Hij ook zélf geworsteld heeft. Maar Jezus theoretiseerde daar niet over, oorzaken en gevolgen, hij zocht geen plausibele verklaringen voor al het onbegrijpelijk in de wereld om Hem heen, neen, Hij gelóófde met hart en ziel dat Gód er altijd en overal voor mensen is, dat heel de wereld Góds wijngaard is, en Hij besefte steeds intenser: ‘als ík niet doe wat ik geloof, dan verandert er nooit wat.’
Want stel je eens voor dat Jezus toen een veilig heenkomen zou hebben gezocht: wíj hier, we zouden nog steeds opgesloten zitten in die eeuwige herhaling van hetzelfde. Maar Jezus, die mens uit de parabel, zegt tegen ons, Blijde Boodschap: ‘Gód is jullie toekomst, God die ménsenliefde is, Híj is de Heer van de grote wijngaard waarin wij allen leven, maar jullie moeten, één voor één, je verantwoordelijk weten voor dat kleine stukje, die ene vijgenboom die ieder is toevertrouwd. Langs díe weg komt Gód op jullie toe. Doen jullie dat niet, dan is God niet jullie toekomst.’ Dáárom gaat Jezus vastberaden naar Jeruzalem, de plek waar Hij zíjn verantwoordelijkheid zal nemen: Pasen.
Ook wij leven naar Pasen toe. Hoe? Door er steeds inténser en dus práktischer in te gaan gelóven dat Gód onze toekomst is, Gód, die mensenliefde is van mens tot mens, en dat Hij ons leven en de wereld waarin wij leven níeuw zal maken. In Jezus is dat begonnen, een onooglijk begin, zeker als je om je heen kijkt. Naar Pasen toe leven is: net als Jezus geloven in Góds toekomst, gelóven en gaan doen zoals die mens uit de parabel, jij op jouw manier, op dat piepkleine stukje wereld dat jóu is toevertrouwd. Gewoon ermee begínnen, dan komt God, Gods rijk, steeds dichter op jou toe. En wil je weten hoe Gods toekomst eruitziet, dan moet je zelf op Jezus en dus op God gaan lijken: ‘ík zal er zijn voor jóu.’ Dan wordt het echt Pasen.
Naar Pasen toeleven is níet: heel veel nadenken en theoretiseren over wat wij, bij gebrek aan beter, ‘het hiernamaals’ noemen. Naar Gods toekomst toeleven is: hier en nu al een óptie op Gods toekomst nemen, ópstaan en gaan dóen, ópstaan en gaan zorgen voor wat door God aan jóu is toevertrouwd, dat éne vijgenboompje van jou in Gods eigen wijngaard. Zorg dragen voor de anderen met wie jij het leven deelt; vastgelopen mensen een nieuwe kans geven; een kind dat dreigt te ontsporen en zijn toekomst te verpesten erbij halen; de moed niet opgeven, nooit; niemand afschrijven door te zeggen ‘eigen schuld, dikke bult;’ geen mens opsluiten in diens verleden; gelóven: God is een vrijmakende God, van mens tot mens; God-mét-ons, zeker, maar nooit een God-zónder-ons. Langs die weg is Jezus is op ons vooruitgelopen, vastberaden, met heel zijn leven, Hij had er álles voor over. Volgen wij Hem op díe weg, dan wordt het Pasen, elke dag een beetje meer, want zó komt God op ons toe, zo is Gód ook ónze toekomst. Leven we zó naar Pasen toe. Amen
André Zegveld