Goede herders 4e zondag van Pasen [Joh. 10, 1-10]

‘Ik ben de goede herder, Ik ben de deur’

Goede herders  4e zondag van Pasen  [Joh. 10, 1-10]

Met béélden spreekt Johannes de evangelist vaak over Jezus, heel originele en mooie beelden. Zó wil hij dat wij zelf gaan ontdekken en ervaren hoe Jezus, en Jezus alléén, voorziet in de meest fundamentele noden van ons mensenbestaan. Tenminste: als wij Hem, Jezus, van hart tot hart ontmoeten en Hem steeds beter leren kennen. Want dán is Hij alles wat je nodig hebt om te leven. Dan stilt Hij jouw levenshonger met zijn levensbrood, met alles dat jij broodnodig hebt om te kunnen léven. Dan is Hij het licht dat de duisternis in onszelf en om ons heen verdrijft, en laat Hij als een goede herder zien hoe je door de janboel en de warboel die het leven vaak is heen moet leven en er de goede weg in kunt vinden. En dus: als je Hem ziet, Hem gaat verstaan en met groot vertrouwen Hem achterna leeft, dan leef je niet in het duister, dan ga je levender wijs de weg die je moet gaan om door Gód gevonden te worden en loop je niet verloren in je eigen voetstappen. Daarom is Jezus de leidsman die je nodig hebt, de goede herder die jou de weg wijst naar de wereld zoals God die vanaf den beginne voor ogen heeft gestaan: ‘goed, ja zéér goed.’ U kent die vertrouwde beelden: levensbrood, licht, de goede herder.

Jezus vat al die beelden als het ware samen in het beeld van de deur. ‘Ik ben de deur’ zegt Hij. Een beeld dat ons minder vertrouwd is en waarvan ook geen stichtelijk plaatjes bestaan, plaatjes van een deur met een kaarsje ervoor, of iets dergelijks. Het is een deur die voor jou ópen staat, open naar lévensruimte, je kunt erdoor ingaan en uitgaan, de keuze is aan jóu. Een beeld dat zegt: er zijn talloze mogelijkheden om te gaan leven, maar enkel als jij door de deur die Jezus is gaat, kom je tot het wáre leven. Nogmaals: een ópen deur, een deur die jou vrij laat, vrij om te gaan en staan, als je je maar door Jezus laat leiden. Want Híj is jouw herder, Hij kent jou bij naam en toenaam, Hij kent jou van haver tot gort en wéét dus als geen ander wat jíj nodig hebt óm echt en voluit tot leven te komen.

Het is vandaag officieel de zondag van de goede herder, roepingenzondag, ‘de (ik citeer nu) jaarlijkse wereldbiddag voor roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven.’ We worden gemaand om daar flink voor te bidden, zeker (en ik citeer opnieuw) ‘tegen de achtergrond van een voortdurende terugloop van het aantal roepingen tot het gewijde ambt.’ Daar is natuurlijk niks mis mee, maar we mogen ons daar niet op blind staren zodat we vergeten dat wij állemaal door Jezus geroepen worden om elkáárs herders te zijn, levender wijs, en dat díe roeping steeds urgenter wordt, hoe verder en verder de officiële herders van de mensen af komen te staan, zó ver dikwijls dat ze zo goed als niemand meer met naam en toenaam kennen. En hoe hoger de ambtsdrager, hoe verder en verder weg, steeds anoniemer.

Bidden we vandaag dus voor roepingen tot het priesterschap en zo, maar bidden we vandaag nog méér dat wij allen hier onze roeping zullen gaan verstaan: dat wij, ieder op zijn of haar eigen manier van leven, volop hérder zullen zijn van de mensen dicht om ons heen. Misschien is dát wel het állerbelangrijkste waar we voor moeten bidden: dat ieder van ons in vlees en bloed een levende verwijzing zal zijn van de goede herder die Jezus is, en dus licht zal zijn in het duister, voedsel voor mensen onderweg, en vooral een open deur naar Gods weidse levensruimte waarin het voor mensen goed toeven is.

Wat ik met dat alles bedoel wordt hopelijk heel concreet door een huiselijk voorbeeld uit mijn eigen leven. Toen ik voorbereid werd op mijn eerste communie werd ik met vele anderen geïnstrueerd door de pastoor, de officiële herder van de parochie, over van alles wat wel mocht en niet mocht, en zo: dat ik op de avond vóór de grote dag, en altijd als ik ter communie zou gaan, na 12 uur niets mocht eten en drinken, zelfs geen glaasje water; dat ik mij altijd ernstig moest afvragen of mijn zieltje wel rein genoeg was om Jezus bij mij binnen te laten; dat ik de heilige hostie vooral nooit met mijn handen mocht aanraken, maar in mijn mond moest laten smelten en dat ik er vooral niet in mocht bijten of op gaan kauwen, want dan zou ik in Jezus bijten; dat Jezus gedurende die tijd op een heel speciale manier aanwezig was; maar dat ik, wanneer de hostie in mijn mond verdwenen was, toch met dichte ogen nog even moest blijven nabidden, omdat Jezus aanwezig was ook al voelde je niets meer van de hostie; en nog veel meer van hetzelfde. Een intieme ontmoeting kennelijk omgeven met prikkeldraad. Van grazige weiden of zo was niets te merken, enkel een hoop ditten en datten, regels en voorschriften. Ik was daar erg van onder de indruk en ook wel een beetje bang voor: of ik wel op de goede manier ter communie zou gaan en zo, en sprak mijn moeder erop aan: of zíj dat alles eigenlijk wel wist en met dat alles rekening hield. Ze zei toen: ‘Jôh, dat moet je allemaal niet serieus nemen, als je het maar goed weet en nooit vergeet dat onze lieve Heer heel dichtbij jou is en dat Hij blij is met jou.’ Er ging toen een wereld voor mij open, de weidse wereld dat God met genoegen naar míj keek, en dat ik onbevangen in de kerk mocht rondkijk om te gaan zien hoe ook de andere mensen gelukkig van Jezus werden, een wereld die door de instructies van de pastoor zorgvuldig was gesloten.

Zondag van de goede herder, Roepingenzondag. Bidden wij vandaag ook en vooral dat wij zélf, één voor één, voor elkaar een goede herder zullen zijn die de mensen om ons heen openen voor de weidse levensruimte die God ons allen schenken wil. Amen

André Zegveld