Heer red ons, wij vergaan Mt. 14, 22-33 * 19e zondag door het jaar A

‘Waarom bang zijn,’ zegt Jezus ons, ‘kijk toch naar Mij, míjn levensweg van verliezen ís de weg naar de overkant, de weg naar het geheim van God.’

Heer red ons, wij vergaan   Mt. 14, 22-33 * 19e zondag door het jaar A

Het evangelieverhaal dat wij zojuist hoorden, het is een Páásverhaal, we zouden het ook in de Paaswake kunnen lezen, het is een verhaal over het hartstuk van al wat wij geloven, een wónderlijk verhaal, een soort bééldverhaal over ons geloof in de opstanding uit de dood van Hém, Jezus, en van onszélf. Na de wonderbare broodvermenigvuldiging (en u weet: dat broodwonder is zelf weer een verwijzing naar de Eucharistie), na de broodvermenigvuldiging, dwingt Jezus zijn leerlingen, óns dus, om weer in de boot te stappen en ook zelf naar die geheimzinnige overkant te varen waar Jezus na zijn opstanding uit de dood is verdwenen, de overkant naar het geheim van God. En wíj, leerlingen, wij moeten met zíjn brood nog in onze mond, gezamenlijk, als kerkgemeenschap, Hem naar die overkant achternagaan, naar het eigenste geheim van God. Het evangelieverhaal van vandaag, een beeldverhaal over ons als de leerlingen van Jezus hier en nu, over hoe wíj als gelóófsgemeenschap moeten zijn doorhéén en óndanks alles wat ons tijdens die overtocht naar die overkant overkomt en overkomen kan.

Een verhaal over onszelf, hier en nu, over ons als schepelingen in het schip van de geloofsgemeenschap. De leerlingen, wíj dus, zijn er alléén, Jezus is er niet, Hij is met Pasen in het geheim van God verdwenen, het geheim van zíjn en ónze Vader. Het schip van onze geloofsgemeenschap moet het, lijkt het, alléén zien te klaren, door alle weer en wind heen: de overkant lijkt onbereikbaarder dan ooit, het stormt, het zwarte water is bodemloos, de golven zijn bedreigend hoog. Een tamelijk wanhopige situatie. Wat nu te doen, midden in die storm, zonder Jezus? De leerlingen van tóen, de apostelen, zijn angstig, bang dat zij in het donker van al dat geweld zullen verdrinken en dus spoorloos en voorgoed in het donkere water zullen verdwijnen. Wat te doen?

Het is een situatie waarin ook wíj ons, als kerkgemeenschap, bevinden. We worden bedreigd, niet enkel door allerlei krachten en gevaren die van buíten komen, maar ook door krachten en gevaren die van binnen onszelf komen: de aanvechting van de angst voor en van een krimpend geloof in de tocht die voor ons ligt. Het verhaal zegt: in díe situatie loopt Jezus op zijn leerlingen toe, over het dreigende water heen, in het ijle licht van de dageraad. Maar de angst die hen van bínnenuit bekruipt maakt dat ze Hem niet zien, Hem niet herkénnen. Ze denken dat ze een spook zien en houden nog angstiger dan eerst hun hart vast. Maar Jezus zegt: “Houdt moed, Ík ben het, weest niet bang.” Hij zegt dus: ‘als je Míj ziet, dan zie je Ik-ben, dan zie je God in levenden lijve.’ Petrus, die zo graag als eerste de vooroploper van de mensen van het geloof wil zijn, Petrus durft het dan aan om als Jezus over het water van de dood te lopen, maar zijn angst voor wat er gebeurt neemt toch de overhand, de schrik slaat hem om het hart, hij begint te zinken en schreeuwt het uit, zijn en ons aller ultieme geloofsbelijdenis: “Heer, red mij.” Enkel met zó’n naakt geloof bereikt een mens de overkant.

De kerkgemeenschap, wíj dus als kerkgemeenschap, van hoog tot laag en van laag tot hoog, als kerk in het klein en als kerk in het groot niet minder, wij állemaal, de stuurlui van de kerk en de schepelingen gelijkelijk, wij zijn vaak door een grote angst bevangen, een angst die uit ons binnenste komt. Angst voor verlies, angst voor prestigeverlies, angst voor verlies van gezag, angst voor de boze buitenwereld, angst voor elkaar ook, angst voor de toekomst, terwijl Jezus het toch in alle helderheid heeft gezegd dat alleen wie durft verliezen het belangrijkste zal winnen waar het allemaal om te doen is: het: geloof. Een angst die van binnenuit komt, de angst van kleingelovigheid, de angst om ook zelf de weg van Jezus te gaan, Jezus die alles durfde verliezen om de overkant van het geheim van God binnen te gaan. ‘Waarom bang zijn,’ zegt Jezus ons, ‘kijk toch naar Mij, míjn levensweg van verliezen ís de weg naar de overkant, de weg naar het geheim van God.’

Misschien dacht Jezus toen wel aan wat de profeet Elia ooit was overkomen. Elia had voor God geijverd, zich met hart en ziel ingezet voor het geloof in Gód, maar de mensen, de mensen van macht en gezag in de geloofsgemeenschap vooróp, stonden hem juist daarvoor naar het leven. Elia werd er depressief van, hij zag het niet meer zitten, hij wilde het liefst maar dood, al zijn angsten gaan hem voorbij: hevige stormen, rotsen die worden verbrijzeld, aardbevingen, onblusbare vuren, en na dat alles tenslotte een stille en verkwikkende bries, ‘de stem van een tere stilte’ zeggen de Rabbijnen. En Elia begreep: die stille bries is de stem van God zelf achter en doorheen al dat geweld, een stille stem die zegt: ‘wees toch niet bang, Ik ben er, altijd en overal.’

Met Pasen vieren we dat Jezus over het donkere water is gelopen, en dat Hij de overkant heeft bereikt, aan de dood voorbij. Wij, leerlingen, moeten Hem volgen door in zíjn en ónze opstanding uit de dood te geloven, tegen alle mitsen en maren, alle onmogelijkheden en onwaarschijnlijkheden in, als mensen van de opstanding, mensen die durven verliezen om die opstanding te winnen. Petrus is ermee begonnen, als vooroploper, maar ook híj moest het eerst zelf leren: om niet in zichzelf, zijn eigen kracht, maar enkel en alleen in Jezus te geloven. Hij moest het leren: pas als je je eigen hulpeloosheid ervaart en je in alle weerloosheid je hand durft uitsteken naar Hém, God-mensgeworden, alleen dát maakt jou en jou en jou, ja, maakt ieder van ons tot een voorganger in het geloof. Bidden we ervoor dat ook wij als leerlingen van Jezus dat voor anderen mogen zijn, steeds weer opnieuw. Amen.

André Zegveld