Heilig brood en mensengedoe

[Joh. 13, 1-15 * Witte Donderdag]

Heilig brood en mensengedoe

Witte Donderdag, zusters en broeders, het begin van het Paasfeest, het grote feest van de opstanding uit de dood, van de óvergang van dood naar leven. Johannes de evangelist begint het Paasverhaal heel plechtig, u hoorde het: ‘Jezus die weet dat zijn uur gekomen is om helemaal óver te gaan naar de Vader, Jezus die zijn vrienden bemint met een liefde die tot het uíterste zal gaan, maar die ook Petrus’ verloochening voorziet, het verraad van Judas en het hazenpad dat al zijn leerlingen zullen kiezen, Jezus onderbreekt die laatste maaltijd met zijn vrienden, en doet iets volstrekt onverwachts en onbegrijpelijks.’ Wát Hij doet is een téken dat op z’n allerduidelijks zegt hoe zijn vrienden, zijn leerlingen, wij dus ook, die láátste mááltijd en het brood dat Hij daar ons in de mond legt, moeten verstáán. Jezus staat op van tafel, doet een schort voor en gaat de voeten van zijn vrienden wassen: het nederigste dat een mens kan gaan doen, slavenwerk.

Maar Jezus’ leerlingen, zijn vrienden, Petrus voorop, laten luid en duidelijk weten daar niet van gediend te zijn: ‘dát niet, dat nóóit, in der eeuwigheid niet.’ En Jezus weer: ‘Begrijp je er dan helemaal niets van wat Ik op die manier duidelijk wil maken?’ Een vraag aan Petrus, een vraag aan ieder van ons hier, één voor één, want niemand mag zich voor het antwoord op die vraag van Jezus achter een ander verschuilen of naar een ander verwijzen. Bij elke eucharistieviering stelt Jezus díe vraag wanneer wij, door te communiceren, gemeenschap het Hem zoeken: ‘Begrijp je wat Ik doe als Ik jou mijn brood in de mond leg?’ Want met de voetwassing zegt Jezus hoe je dát begrijpen moet.

De voetwassing zegt: als je Jezus’ brood áánneemt en opeet, als dat brood dus vlees en bloed van jóu wordt, dan moet je ook Jezus’ léven gaan delen, het leven van God zélf dat in Jezus aan het licht is komt. Jezus laat zien: God ís líefde, juist dáárom is God néderig, want echte liefde maakt zich klein voor wie dan ook. Dát wil Jezus in vlees en bloed duidelijk maken, tot het uiterste toe. Hij knielt voor zijn leerlingen, ieder van ons, één voor één, Hij kijkt naar ons óp, niet vanuit de hoogte maar van onderop, van beneden naar boven. Zo laat Hij zien hoe Gód er uitziet: liefde die tot het uiterste gaat. “Als je dát niet wilt” zegt Jezus tegen Petrus, “als je dat niet wilt inzien, dan wil je Míj niet, dan wil je Mij niet zoals Ik ben.” God ís liefde, God kan niet anders dan liefde zijn, dáárom is God nederig, Hij kan niet anders dan nederig zijn, dan mens worden in een mens die niet wordt gediend maar die zich zo klein mogelijk maakt om ieders dienaar te zijn.

Wij, ook wíj, denken vaak te groot en te groots over God, over Gods macht, Gods almacht. God is liefde, een liefde die zó groot is dat zij de minste van iedereen wil zijn, opdat ál de anderen tot leven zullen kunnen komen, zonder zich bezwaard te voelen door Gods gewicht. Gods gewichtigheid, Gods gewícht ís Gods liefde. Die liefde is Gods eígenste levensgeest, en díe goddelijke levensgeest geeft Jézus óns, als Jezus ons Zíjn brood in de mond steekt. Het is het brood dat zegt: ‘ga léven voor anderen, ga léven in verbinding en dus in vriendschap met elkaar, en wil met het oog dáárop de minste zijn, op de manier van God.’ Jezus zegt dus: ‘Eet Míjn brood en word ook zelf Góds liefde in het vlees en bloed van jouw mensenbestaan.’ Gods liefde is dus niet voornamelijk een verheven gevoel in je binnenste, laat staan een verheven gevoelerigheid, Gods liefde wil zich veranderen in óns mensengedoe, doordat wíj, u en ik, van mens tot mens gaan dóen wat Gód is.

Het is een vrome en stichtende traditie om met name op Witte Donderdag God te danken voor het heilig Brood, voor Jezus’ aanwezigheid in het heilig brood, omdat Hij in dat brood toch maar mooi altijd onder ons aanwezig is, aanwijsbaar, verbórgen maar tróóstend aanwijsbaar. Het verhaal over de voetwassing laat ons de dwarse kant ervan zien. Als het eten van het heilig brood zich niet vertáált in mensengedoe, zegt Jezus, dan heb je daar eigenlijk niets aan, want dan heb je geen deel aan Míj, aan wat Gods léven is in Mij, dan deel je Gods liefde niet uít, zoals Ík dat doe, tot het uiterste toe.’ Denk ook vandaag vooruít, naar Goede Vrijdag: liefde is zélfgave, is: op welke manier dan ook zeggen én doen: ‘ik wil dat jij er bent.’ Dóen wat God ís, en God ís liefde. Jezus leefde dáárvoor, om te laten zien hoe God er uitziet: geen macht en majesteit, geen hoogheid, geen mooie vieringen, geen plechtige liturgieën: enkel een mens die de voeten van zijn vrienden wast, zijn leven prijsgeeft, en die ook en juist vandaag tegen ons zegt: ‘doen jullie ook zo, om Míj nooit uit het oog te verliezen.’

Vanavond denken wij aan die laatste maaltijd. We spelen die maaltijd als het ware na, alsof het voor de eerste keer is. Niet om er een goed gevoel bij te krijgen, maar om goed te wéten waar het bij die maaltijd uiteindelijk om te doen is en wat ons dus te dóen staat, om Hem nooit te vergeten, zonder mooie liturgieën en vertederende gevoelens. Want als wij het heilig brood ontvangen, herinneren we ons ook Zijn éénzaamheid omdat zijn vrienden Hem toen kennelijk niet begrepen, de angst die Hem daarom gaandeweg om het hart sloeg, en de duistere nacht die Hij daardoor verwachtte. Maar door nu híer te zijn, rond zíjn tafel hier, belijden we ons geloof, we zeggen dat wij op Jezus’ manier vol van Gods liefde verlangen te zijn, van mens tot mens. En we bidden dat wij, telkens als we Eucharistie vieren, het zullen zeggen en dóen tegelijk, Gods naam van mens tot mens: ‘ik wil er zijn voor jou.’ Om langs díe levensweg door God gevonden te worden, op aarde zoals in de hemel. Amen.

André Zegveld