Hoe ziet God er uit? Driekoningen

Zij volgden de ster die in hun hart was opgegaan, en herkenden in het kind wat ze zochten

Hoe ziet God er uit?  Driekoningen

Misschien vindt u het een vreemde vraag: hoe ziet God er uit? Niemand immers heeft ooit God gezien. Dat staat letterlijk zo in de Bijbel. Maar toch: met Kerstmis vierden we hoe God er uitziet, we vierden Gods gezicht, in Bijbeltaal: Gods gelaat. We vierden dat wij Hem in Jezus kunnen zien. Vandaar: hoe ziet God er uit?

Gezicht
Naar een mens kijken is: die mens aankijken, en dat is, als je er goed over nadenkt, iets heel wonderlijks. Met de ogen van mijn gezicht zie ik het gezicht van een ander. Natuurlijk, ik zie de ander helemaal, heel zijn lichaam. Maar in zijn gezicht, in de ogen die mij aankijken, zie ik hemzelf: wij zien elkaar, jij en ik. Vòòr we iets tegen elkaar zeggen, kijken we elkaar aan en is er herkenning, wederzijds. Als we iemand aankijken, worden in diens gezicht gevoelens zichtbaar, emoties die in die mens leven. ‘Een feestelijk hart, een feestelijk gezicht. Een bitter hart, een bedrukt gezicht’ zegt de Bijbel ervan. Die vooralsnog woordeloze herkenning maakt dat wij, jij en ik, een relatie aangaan, soms oppervlakkig en voor even, soms dieper, soms heel diep en levenslang.

Natuurlijk: heel ons lichaam spreekt een taal en drukt uit hoe en wie wij zijn: blij, vrolijk, bedroefd, angstig, afstandelijk, warm of koud. Maar in het gezicht van een ander, in diens ogen, zien wij die ander op zijn aller duidelijkst. We kijken als het ware bij hem naar binnen. Daardoor is die ander er écht, is hij aanwezig, als persoon. Maar we zien dan tegelijk ook onszelf. Onszelf kunnen wij immers niet zien. In de spiegel wel, natuurlijk. Maar als je lang in de spiegel kijkt en aan je spiegelbeeld vraagt: ‘wie ben jij?’, dan zie je een aap en krijg je nooit echt antwoord. We kunnen onszelf niet echt aankijken. We zien en herkennen onszelf enkel goed in de blik van een ander.

Wanneer we elkaar aankijken is er herkenning. Maar we zien tegelijk ook: die ander is anders dan ik. Wie hij is ontsnapt mij want dat is zijn eigen geheim, hij is niet van-mij, ik moet hem in zijn eigen waarde laten, hij moet geëerbiedigd worden, ja hij gaat mij te boven. In een mens die ons aankijkt, kunnen we daarom iets van God vermoeden. Daarom geloven we dat God de mensen heeft geschapen, beter gezegd: de mensen schept naar Zijn beeld en gelijkenis, als ‘man en vrouw’, dat wil zeggen: eender en anders.

Gods gezicht
Met Kerstmis vierden we dat God in Jezus mens is geworden, dat Hij in de mens Jezus verschenen is en dus een menselijk gezicht heeft gekregen. Wanneer wij Jezus zien en aankijken, van aangezicht tot aangezicht, zien we God dus recht in het gelaat. In Jezus zien we hoe God er uitziet. Het is dus nog niet zo’n vreemde vraag: ‘hoe ziet God er uit?’ Het antwoord op die vraag is: ‘kijk naar Jezus, kijk Jezus aan. Zo dus.’

In het kind dat in Bethlehem is geboren, het kind dat groeide tot de man van Nazareth, de man die de verkondiger werd van de blijde boodschap van het Rijk van God, de blijde boodschap over waar en hoe God in de wereld aan het werk is, de man die daar zijn leven voor heeft gegeven, in díe mens kijkt God ons aan. Soms is dat een gezicht van een en al licht, zoals op de berg Thabor, soms een gezicht dat van angst tegen de grond wordt gedrukt, zoals in de hof van Olijven. Maar steeds: Gods gezicht.

Waar zien we nu Gods gezicht?
Maar Jezus kunnen wij nu toch niet meer zien, dat kan toch niet, een mens van zolang geleden? Waar zien we dan nu Gods gezicht? Jezus heeft die vraag ooit zelf beantwoord, op een manier die elke twijfel uitsluit. Hij heeft gezegd: ‘Je moet míj leren zien in de mensen om je heen, in alle mensen zoals ze zijn, maar vooral in díe mensen die jou nodig hebben om te leven. Die mensen moet je aankijken, van aangezicht tot aangezicht. Wanneer je hen ziet en aankijkt, wanneer je niet aan hen voorbij ziet maar hen in de ogen kijkt, dan zie je míj. En dan zie je dus ook hoe God er uitziet.’

Het kind van wie we met Kerstmis de geboorte vierden, een geboorte gewoon langs de weg, ergens in een stal, met een voerbak als wieg, is daar het teken van. Als je aan verloren mensen, aan armen en vluchtelingen ver weg, aan eenzame of in de war geraakte mensen in je directe omgeving niet voorbijziet, als je die mensen in de ogen kijkt, als die mensen jou niet koud laten en je met hen, al is het maar voor even, een relatie aangaat, ik en jij, als je je voor hen inzet, hoe miniem misschien ook, dan zie je op z’n aller duidelijkst hoe God er uitziet, en kun je van harte zeggen: ‘dat ben Jij, God.’

Mogen we zo, gewoon door om ons heen te kijken, in de mensen om ons heen het kind van Bethlehem zien. Dan is het Kerstmis en Driekoningen, het hele jaar door.

André Zegveld