‘Ik wil dat jij er bent: de naam van God’

Mens, denk eraan dat je van stof bent [Aswoensdag]

‘Ik wil dat jij er bent: de naam van God’

Het is Aswoensdag, daarmee begint de Veertigdagentijd, de veertigdaagse opmaat naar Pasen toe, hét feest van het leven, van het léven dat aan de dood voorbij reikt. We worden bekruist met een kruisje van as, en laten het zo tot ons doordringen, méér dan anders, dat we eindige, stérfelijke mensen zijn. De ás is dáár het symbool van. We lopen vandaag als het ware vooruit op onze eigen begrafenis: ‘Mens, denk er toch aan dat je stof bent en tot stof zult wederkeren.’ Iets om somber van te worden? Dat juist níet. De as is eerst en vooral een lévensvraag aan ons: of we het aandurven en het de komende veertig dagen zullen gaan inoefenen om als mensen van stof te gaan leven van Góds leven. Want zó heeft God de mensen bedoeld: om in vlees en bloed Zíjn leven te gaan leven. En op onze weg naar het Paasfeest leggen we met het askruisje als het ware de belofte af dat ook wíj willen gaan leven op Góds manier, uit liefde dus, en om die goddelijke roeping nooit te vergeten.

Het askruisje: één grote vraag aan ieder van ons: durven we het aan, ieder voor zich en wij allen ook voor elkaar, om ons eindige en maar al te sterfelijke leven te beleven uit een diep geloof: dat wij God dankbaar moeten zijn voor het aardse leven dat Hij ons dag in dag uit schenkt, en bovenal: dat wij Hem dankbaar moeten zijn voor onze roeping om als mensen van vlees en bloed te gaan leven uit Zíjn leven: een en al líefde. Het askruisje zegt tegen ons: durf ook jíj het aan om Gods liefde vlees en bloed te laten worden in jouw mensenleven zoals dat is, om Gods naam te noemen, van mens tot mens: ‘ik wil dat jíj er bent, ik wil voor jóu, wie je ook bent, zo goed als God zijn.’ Dát oefenen we als het ware tijdens de komende veertig dagen in, zodat we onze roeping steeds beter verstaan en nooit en nergens zullen vergeten.

Een levensweg van lóslaten dus en opengaan voor het ene dat blijft en dat de dood van ons sterfelijk mensenbestaan overstijgt: Gods woord van leven, Gods éne gebod: ‘Heb Mij, God, lief, Ik ben jouw naaste, en heb daar álles voor over.’ Want dan leef je met je eindige leven het leven van Gód, aan de dood voorbij. Zeker, ‘Niemand heeft ooit God gezien.’ Maar als je jezelf durft loslaten, je zelfbekommernis en jouw hang naar zelfbehoud, en het durft gaan zéggen en dóen: ‘ík wil dat jíj er bent,’ dan ga je God zíen, Gods beeld en gelijkenis in de mensen om je heen. De as van vandaag ís er om je eraan te herinneren dat je díe weg moet gaan, de enige weg die niet naar de dood leidt maar naar de hemel van Gods liefde, een weg die al begint in jouw leven van vlees en bloed. Begrááf jezelf dus niet in een leven vol zelfbekommernis en vasthouden-wat-je-kunt, laat los, leef als God die liefde is, gééf je aan anderen, dan word je door Hem gevonden en Hij zal jou bewaren tot over de grens van de dood heen.

Veertigdagentijd, de vastentijd: wij zijn hier zowat allemaal oúde mensen, nóg oudere mensen en stókoude mensen. Vasten is er niet meer bij. Het éne, allerbelangrijkste blijft over op onze weg naar Pasen: het echte vasten, ópengaan voor je naaste, voor de mensen om je heen, plaats voor hen maken, aandacht aan hen schenken, een hartelijk woord, oog voor hen hebben, voor de zwaarte van hun leven, begrip, vriendschap, voor hen ópengaan, en ook jezelf durven toevertrouwen aan hún zorg voor jou. Als je dát doet, dan bén je al op de weg naar Pasen, dan verdwijn je steeds meer in het grote geheim van God die liefde is, en mag je het weten: dat je aan het einde van je aardse mensenbestaan in Gods liefde wordt geborgen, want Gods liefde is van altijd en eeuwig. Augustinus zei het biddend zó: ‘Jij, God, Jij gaat alles te boven, Jij geeft mij dat leven dat niemand mij geven kan, Jij bent het leven van mijn leven.’ Leven we zó naar Pasen toe. Amen

André Zegveld