Jalousie is dodelijk 25e zondag jaar A Mt. 20, 1-16

‘Is jouw oog boos omdat Ik goed ben?’

Jalousie is dodelijk  25e zondag jaar A  Mt. 20, 1-16

Vorig weekend, u herinnert zich dat nog wel, had Jezus het over vergeven, je broeder of zuster vergeven, tot meer dan 70 maal zevenmaal toe, eindeloos dus, eindeloos elkaar het léven gunnen, telkens opnieuw. Waarom? Omdat een broer of zus die jou te na is gekomen jouw broer of zus ís en blíjft. Wat er ook tussen jou en die ander is voorgevallen, hij of zij is en blijft jouw broer, jouw zus, en dus jouw gelíjke voor het aanschijn van God, jullie beíder Vader. Vergeet dat nooit. En besef: als je elkáár niet vergeeft, dan kun je met goed fatsoen niet meer het gebed bidden dat Jezus jou in de mond legt, het Onze Vader.

Vandaag gaat Jezus, met zijn parabel over de werkers van het eerste tot en met het elfde uur, daar verder op in: tot hoever dat gaat, ook in zákelijke relaties. Volgens de wetten van de economie en zo zit Hij, lijkt het dan, goed fout, en niet zo’n beetje ook. Moet loon daar niet in verhouding staan met geleverde arbeid. In zó’n wereld leven wij nu eenmaal, een zakelijke wereld die uiteindelijk geregeerd wordt door het recht van de sterkste. Met allerlei sóórten mensen, rijke mensen en arme mensen, hebbers en niet-hebbers, mensen van oud-geld en mensen van geen-geld, want geld is vaak erfelijk net zoals armoede. Hoe houd je dat een beetje overzichtelijk en regel je het zó dat in ieder geval de hebbers niets tekortkomen en de niet-hebbers niet teveel krijgen. Een discussie, en vaak een splijtzwam tot hier en heden. De werkers van het éérste uur vinden dat zij meer waard zijn dan die van het élfde uur. En vertaal dát nu maar naar híer en nú: onderscheidingen in soorten mensen, werkers en uitkeringstrekkers, eigen mensen en asielzoekers die beslag leggen op ‘onze’ welvaart, en vult u maar aan.

Jezus kijkt verder, dieper, naar het rijk van Gód dat zichtbaar moet worden ín en tússen al die soorten mensen. Hij, ook Jezus kan het economisch systeem niet veranderen, net zomin wij dat kunnen. Wat moeten en kunnen wij dan doen? Hij zegt: ‘Zoek eerst het domein van Gód, de rest komt dan wel vanzelf.’ Een utopie? Dat niet. Hij zegt: Begín er zélf mee om op de plaats waar je staat de mensen daar, alle mensen zonder uitzonderingen, te zien als gelijkwaardig, want geen mens is méér of mínder waard dan wie dan ook, álle mensen zijn broers en zussen van één en dezelfde Vader. Zeker, in de wereld van de economie en de politiek worden mensen vóórgesorteerd, er zijn daar winnaars en verliezers, nette mensen en losbollen, eigen mensen en ánderen, mensen die hard gewerkt hebben voor een decent bestaan en mensen in Verweggistan die van andermans welvaren willen meegenieten, productieve en onproductieve mensen, en zo. Ook binnen de kerk, binnen de gemeenschap van Jezusvolgelingen zelf, worden mensen soms en soms vaak voorgesorteerd, door onderscheid te maken tussen betrokken parochianen en zogenaamde randkerkelijken, tussen actieve zóndagschristenen en enkel Kérstmisgangers, en vult u zelf maar weer aan..

Kun je door al die soorten mensen heen kijken? Dúrf je dat: jezelf relativeren, jezelf in de juíste relatie zien tot al die andere mensen? Met de ogen van Jezus om je heen kijken naar Gods plek in en tussen al die soorten mensen? Jezus zag in alle mensen hoe Gód hen ziet: broers en zussen, allemaal, gelíjken dus, allen éven waardig. God heeft voor ieder van hen de grootste liefde, want Hij ís liefde. Ook Jezus kon het economische en maatschappelijke onderscheidingssysteem, solide vastgetimmerd in de burgerlijke stand en in de parochieadministratie, niet veranderen. Hij heeft het ook niet geprobeerd. Hij keek vérder. Hij zocht het domein van God waar alle mensen uiteindelijk in thuishoren. En Hij gaf dáár zijn leven voor. Hij werd darom, u weet het, door het systeem vermalen, maar Hij gaf er zijn leven voor: ook al zijn mensen heel verschillend, íeder mens is Gods eígenste ménsenkind, ieder évenveel, want God kent geen aanzien des persoons. Wees dus niet jaloers op elkaar. Jalousie is zo’n beetje de oerzonde waarmee alle ellende in de mensenwereld is begonnen.

Wij, allemaal mensen van niets, hebben moeite met Gods grenzeloze liefde voor íeder mens. De werkers van het éérste uur zien hoe hun werkgever hen evenveel betaalt als de werkers van het elfde uur. Ze worden jaloers en vragen zich hardop af: ‘verdienen wij dan niet méér dan zij?’ Neen, want niemand ‘verdient’ Gods mateloze liefde, God schénkt Zíjn liefde aan ieder mens om-niet. Niemand krijgt wat hij verdíent, God is geen verdienmodel, God schénkt zijn liefde want Hij ís liefde. Wij, mensen van niets, hebben daar moeite mee. De werkers van het eerste uur worden jaloers op de werkers van het elfde uur: ‘krijgen wij die altijd en van den beginne af aan braaf zijn geweest en actief lid van de kerk, krijgen wij dan hetzelfde als al ‘die anderen’? En God zegt in alle eenvoud: ‘jullie krijgen allemaal de hoofdprijs die je niet kunt verdíenen: Mijn liefde voor jou en jou en jou, meer kun je je toch niet wensen.’ Wees dus niet jaloers op het geluk dat een ander overkomt, want jalousie is een soort verrotting van de wortels van jouw eigen mensenbestaan.

Zo staat het ook in de Schrift, al vanaf den beginne af aan. Ik denk nu aan het verhaal over Kain en Abel. Twee broers, niet hetzelfde en tegelijk toch ook twee gelijken, kinderen van één en dezelfde vader. U kent het verhaal. De één wordt jaloers op het geluk van de ander. Ze gaan samen wandelen, druk in gesprek, maar toen zij alléén waren, viel Kain zijn broer aan en sloeg hem dood. Waarover zouden ze in gesprek zijn geweest, wat hebben zij toen tegen elkaar gezegd. Dat moeten wij zélf aanvullen, zeggen de Rabbijnen en ze gaven als voorbeeld: ‘Ze zeiden tegen elkaar: Kom laten wij de wereld tussen ons tweeën verdelen. Ze hadden het over Eva, hun moeder, over wie van hun tweeën haar lievelingetje was. Ze hadden het erover wie van hen tweeën de baas was van de grond waar ze op liepen. Ze hadden het erover van wie het onroerend goed was en van wie alle roerende goederen. Ze hadden het erover op wiens grond God de tempel zou bouwen. Ze hadden het erover aan wiens kant God zou staan.’ Maar God zei enkel, na die eerste moord: ‘mens, waar is je broeder’, meer niet. Leef daarnaar zodat je het ook zelf leert om te zeggen wat Jácob tegen Ezau zei, zijn tweelingbroer die hij ooit gruwelijk bedrogen had, van wie hij vervreemd was en die hij jaren later weer ontmoette: ‘Broeder, als ik jóu zie, is het alsof ik God recht in het gezicht kijk.’ Bidden we dat ook wíj tot zó’n leven gevend geloof zullen groeien. Amen.

André Zegveld