‘De weg naar God loopt via jouw naaste.’
Het verhaal over de bekoring van Jezus in de woestijn volgt op het verhaal over Jezus’ doop in de Jordaan, toen Jezus een grote stem uit de hemel hoorde zeggen: «Jij bent mijn Zoon, enig, veelgeliefd. Jij moet zijn zoals Ik, God, ben.» Hij hoorde toen zijn roeping: zijn zoals God, énkel leven, énkel licht, énkel en alleen de ander toegewend, hélemaal er zijn voor een ander. Die roeping maakte Hem eenzaam. Moest Hij daar niet álles voor opgeven, álles waar een mens aan vastzit, álles waar een mens aan gebonden is: veiligheid, dingen, hebben en houden, aanzien, relaties, eten en drinken? Door die grote stem van God wordt Hij de eenzaamheid van de woestijn ingedreven. En daar vast hij, daar wordt Hij bekoord, veertig dagen lang. ‘Veertig’ is een symboolgetal: het staat voor de veertigjarige woestijntocht van Israël, het staat waar je levenslang mee doende bent: vrij worden, zo vrij als God zelf. Heel zijn leven lang heeft Jezus dáármee gestreden, met die roeping. Het was een woestijn, en in die woestijn was Hij met engelen en wilde dieren, als in tweeën, de kant op getrokken naar God toe én de kant op getrokken naar zichzelf toe, er vlogen engelen door Hem heen maar er waren in Hem ook wilde dieren, alles wat zich tegen deze roeping verzette, hebzucht, eerzucht, heerszucht, alles waardoor een mens niet lijkt op God, veertig dagen lang, veertig jaar lang, levenslang.
Over veertig dagen is het Pasen. Dan vieren we dat we vrije mensen zijn, van niets en niemand de slaaf, mensen die vrij zijn van alles wat dood is of dood maakt. We leven daar veertig dagen lang naar toe, en in die veertig dagen proberen we te oefenen, proberen we die vrijheid in te oefenen. Want we zijn gebonden mensen, gebonden aan allerhande gewoonten, aan een bepaald bestedingspatroon, aan de protocollen van het kloosterleven, aan eten en drinken en kijken naar de TV, ga maar door. Een oefening van veertig dagen, om vrij te worden, zo vrij en levend als God zelf. Veertigdagentijd, vastentijd.
Vasten is in onze maatschappij, onder christenen, grotendeels verdwenen. Vasten komt voornamelijk nog voor als een methode om te lijnen, om af te vallen. Dat is een ik-gerichte manier van vasten: een vasten dat goed is voor míj. Er wordt soms veel geld aan uitgegeven, aan afslank- en vastenprodukten. Lijnen is vaak duurder dan gewoon eten, en zeker veel duurder dan gewoon minder eten. Al vastend sluit je je op die manier op in je eigen leven: ik heb het goed, ik word te zwaar, ik moet gezond blijven, ik moet lijnen.
Zeker, vasten is lijnen. Maar wel op een andere manier. Vasten is: lijnen trekken naar God. Vind ik wegen en manieren om mijn leven meer op God te richten, meer op Hem te betrekken. Daarvoor moet je je de vraag stellen, veertig dagen lang, levenslang: wat is de hoofdlijn van mijn leven, eigenlijk, en waar leidt die toe? Naar God, of naar iets anders? Wij zijn gebonden mensen, gebonden aan allerlei gewoonten, en zo. Daarvan afzien, is inoefenen van vrijheid. Je hervind dan je eigen en eigenlijke waarde en waardigheid, je gaat weer beseffen: ik behoor niet toe aan mijn behoeften en wensen, ik ben van niets of niemand het bezit, ik hoor bij wat echt leven is, bij God, bij het verbond dat Hij met alle mensen heeft gesloten: «Jij en jij, en ook jij, jij bent mijn enige.»
Maar God is niet los verkrijgbaar. De lijn naar God valt samen met de lijn die ik naar andere mensen trek, valt samen met mijn betrokkenheid op anderen. Echt vasten is: lijnen, verbindingslijnen zoeken naar en met anderen, dichtbij, ver weg. Vasten is: die lijnen trekken door van jezelf af te leven, door aalmoezen te geven, door weg te geven dus, zélf vasten opdat ánderen er dikker door zouden kunnen worden. Lijnen, lijnen naar God, lijnen naar anderen toe: waar sluit ik mij in mijn eigen leven op, waar verlies ik anderen en dus God uit het oog, wat heb ik er voor over? Veertig dagen lang zullen we daarmee bezig zijn, want anders wordt het nooit Pasen.
De franse rabbijn Chouchena vertelde ooit het volgende verhaal. “Er staat een man bij de Klaagmuur te bidden. Hij bidt: «God, zorg er toch voor dat de aandelen weer gaan stijgen, vooral de olie-aandelen want ik heb net grootschalig ingekocht. En omdat ik ook in de vliegwereld ben ingestapt, laat de mensen toch veel gaan reizen.» Naast hem staat een arme te bidden. Die arme hoort het gebed van de rijke en begint te huilen. «God, ik heb niets, ik heb geen cent om eten te kopen voor mijn tien kinderen. Wat moet ik doen?» En hij huilt en huilt. Dan keert de rijke zich tot die arme, geeft hem 200 euro en zegt: «Hier, pak aan, en laat God zich met míj bezighouden.» Een raar verhaal: is God dan te koop? Mensen namen er aanstoot aan. Maar een andere rabbijn, opperrabbijn Sitruk, zei erover: door deze kleine geschiedenis wordt ons duidelijk gemaakt: wanneer je wilt dat God zich met jou bemoeit, moet je je bemoeien met het welzijn van anderen; wanneer je zelf zo vrij wilt zijn als God, van niets en van niemand de slaaf, moet je je inzetten voor de vrijheid van anderen; wanneer je echt wilt leven, zul je van jezelf af moeten leven.” Sterven en Opstaan. Pasen.
Dat, en niets anders, is de boodschap geweest van Jezus. Dat, en niets anders, had Hijzelf geleerd, toen Hij werd bekoord in de woestijn. Dat, en niets anders, hadden de kinderen van Israël geleerd op hun tocht door de woestijn. Dit dus: de weg naar God loopt via je naaste. En naar die lijnen gaan we op zoek, door te vasten, ieder op zijn of haar eigen manier, op zoek naar de lijn naar het ware leven, naar Pasen. Amen.
André Zegveld