Feest van Gods heilige Drie-eenheid. God is Lifede
Feest van de heilige Drie-eenheid. We vieren God die drie is en één tegelijk. Hoe moet je daar nu over denken, hoe daarover spreken, zónder in allerlei theologische krachtpatserij en heel geleerd jargon te vervallen? Misschien is het nog het beste om heel dicht te blijven bij wat de Schrift zegt: dat niemand ooit God heeft gezien, maar dat Jezus, door zijn mensenleven met een liefde tot het uiterste toe te geven voor anderen, heeft laten zien dat God líefde is, Jezus die bij het laatste avondmaal, met de dood voor ogen, tegen zijn leerlingen van tóen zei en het tegen ons nú zegt: ‘Hebt elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben’ (Joh. 13, 34). Daarbij staan wij ook en juist vandaag stil, om op díe manier dichter bij Gods geheím te komen: dat Hij drie en één tegelijk is, en dat ‘liefde’ het sleutelwoord is dat ons toegang geeft tot dat eigenste geheim van God: liefde, er zijn voor een ander, daar alles voor over hebben, levenslang en met alles van je leven: Gods eigen geheim, ook in ons.
Eerst een wonderlijk woord van Augustinus dat dáárover gaat. Augustinus zegt: ‘Smulpapen, fijnproevers dus, houden vaak van zángvogeltjes, niet om hun gezang maar om ze, heel delicaat bereid, op te eten. Wees in de liefde geen smulpaap. Je mag de mensen niet op díe manier liefhebben. Je moet de mensen hun eigen lévenslied laten zingen.’ Dat staat al in het scheppingsverhaal, het Schriftverhaal over hoe God de mensen oorsprónkelijk en uiteíndelijk bedoeld heeft: ‘als een én ander, ik én jij, door liefde met elkaar verbonden, en op díe manier Góds beeld en gelijkenis. God die liefde is, God die ons bemínt, God die ons állen één voor één wil, ernaar verlangt dat wij, ieder van ons, in alle vrijheid ons eígen levenslied zullen zingen voor Hem.
Tot hoever die liefde van God gaat, dát hebben de eerste leerlingen in Jezus gezien. Jezus was, zagen ze, een mens die als de blik van God zelf was naar ieder mens en die tegelíjk de blik van ieder mens is naar God. ‘Ik en de Vader,’ zei Hij, ‘wij zijn één.’ Liefde? Dat is niet voornamelijk veel sentiment om van te smullen en waar je kippenvel van krijgt. Liefde is het grote verlángen om jezélf aan een ánder of aan ánderen te geven, om zó te worden wat Gód is, énkel liefde. En Jézus heeft laten zien tot hoevér dat gaat: het is ook een óffer, het is aan jezelf en aan alles wat in jou en van jou egoïsme is stérven. Zó heeft God al vanaf den beginne ons, mensen, gewild: als een én ander, ik en jij, met elkaar verbonden door Góds liefde, een liefde om-niet, een liefde die enkel wil dat de ander er is, heel concreet, heel praktisch: jezelf wegcijferen opdat het een ander goed gaat, en juist dáárdoor ook zelf tot echt leven te komen, zoals God ons, mensen, bedóeld heeft en altijd en overal beoogt. Heel simpel gezegd: Pietje zegt tegen Marietje: ik hou van jou, Marietje zegt dan tegen Pietje: ik hou ook van jou, maar hun líefde zie je niet, niet op zich, je ziet die enkel in het goede leven dat in hen vorm krijgt en zichtbaar wordt.
Gods heilige Drievuldigheid, God die Vader is, Zoon, en heilige Geest, drie die één zijn: hoe moet je je dat voorstellen? Kijk ervoor vooral naar mensen die zich in liefde tot elkaar voelen aangetrokken en tegen elkaar zeggen, op welke manier dan ook: ‘ik geloof in jou, ik schenk jou mijn vertrouwen, ik ben er niet enkel voor mijzelf maar ook en vooral voor jou, ik geef mij voor jou, ík kijk met jóuw ogen naar de wereld om ons heen, en jíj doet dat met míjn ogen. Nogmaals: ik zie en hoor Pietje, ik zie en hoor Marietje, maar wat hen verbindt, dát zie ik enkel in wat ze met hun wederzijdse liefde scheppen, heel concreet, een gedeelde wereld.
Gods Drievuldigheid is al vanaf den beginne íngegrift in ons mensenleven van vlees en bloed. God die váder is, dat wil zeggen: leven-géver; God die zóón is, dat wil zeggen: leven-ontvánger; en God die lévensgeest is, dat wil zeggen: líefde die zichtbaar wordt in wat hen gedrieën verbindt. Dichter bij dat intieme geheim van God kan een mens daarom niet komen, altijd levender wijs. Echt léven is líefhebben, is van jezélf afleven, opengaan voor anderen, ik én jij zijn, het durven zeggen en doen: ‘ík wil dat jíj er bent, ík zal er zijn voor jóu, en daar heb ik alles voor over.’ Als je dat niet wilt en doet, ben je al zo goed als dood, morsdood. Maar als je de mensen om je heen écht liefhebt, het in ieder geval probeert, dan wordt Gods eigenste geheim zichtbaar in jou en de ander of anderen. Het maakt niet uit of het nu gaat om jouw privéleven of jouw leven met vele anderen, in de gemeenschap dus: de liefde van Gods Drievuldigheid leeft en beweegt dan in jou en jullie, op drie manieren die één zijn. Heb elkaar lief met een liefde die lijkt op die van God, zoals Jezus ons dat heeft voorgeleefd, dan leef en beweeg je in het eigenste geheim van Gods drie-eenheid, en dan leeft en beweegt Gods eigen geheim in jou, drievuldig.
Feest van de heilige Drie-eenheid. Daar dus niet te moeizaam over gaan denken en over gaan tobben. Gewoon ernaar kijken of jouw verbóndenheid met anderen iets laat zien van Gods liefde. Dan kom je nog het dichtst bij Gods eigenste geheim. En bid dan het gebed dat Dostojewski in een van zijn romans iemand in de mond legt, een gebed waarin een mens als een zangvogeltje zijn eigen levenslied zingt, dit gebed: ‘God, Ú bent er met zijn drieën en wíj, mensen, zijn hier één voor één ook met zijn drieën. Ontferm U over ons.’ Mogen we zó tot leven komen. Amen
André Zegveld