Over de twee gezichten van Jezus

‘Hij werd van gedaante veranderd..’

Over de twee gezichten van Jezus

Een week geleden heeft Jezus het, volgens het evangelieverhaal, zijn leerlingen gevraagd, dé vraag die Hij ook aan ons stelt: ‘Wie ben Ik voor jullie, wat beteken Ik voor jou en jou, hoe kijken jullie tegen Mij aan?’ En Petrus, Petrus die staat voor de kerk van altijd en overal, had toen gezegd: ‘Jíj, Jíj bent het, de Messias, Gods meest geliefde mensenkind.’ En Jezus durfde het toen aan om aan Petrus het geheim van Zijn Pasen te openbaren: ‘dat Hij, Jezus, veel zal moeten lijden, ja, dat Hij vernederd en gedood zal worden, maar dat Hij op de derde dag zal verrijzen.’ Maar dát gaat Petrus, de kerk, te ver. Hij neemt Jezus apart en begint Hem bestraffend toe te spreken: ‘God verhoede dat, dat mag volstrekt niet met Jou gebeuren: dat Jij, als Gods eigenste mensenkind zal moeten lijden, vernederd worden, zult sterven en het leven uitgejaagd, in plaats van te triomferen. Voor Petrus, de kerk, is zoiets onverdraaglijk en volstrekt onbegrijpelijk.

En nú, nog geen week later, gebeurt dít: Jezus’ verheerlijking op de berg, Jezus die als van binnenuit vol raakt van verblindend levenslicht, alsof God zelf door Jezus’ mensenbestaan heen schijnt, en een stem die rechtstreeks voortkomt uit het eigen geheim van God, een stem die zegt: ‘Híj ís het, Gods geliefd mensenkind, luistert naar Hem.’ Een visioen. Maar als de leerlingen die er toen bij waren weer bij zinnen zijn gekomen, zien ze enkel Jezus in diens doodgewone mensengedaante van voorheen.

Die twee gebeurtenissen, ze zijn één groot verhaal over óns. Een verhaal dat zegt: ‘Mens, wees toch op je hoede. Je bent geneigd om al jouw kinderlijke verlangens en verwachtingen omtrent het leven op God te projecteren, en God te beschouwen als een soort Hoge Instantie die ervoor moet en zal zorgen dat het jou goed gaat en die jou zal behoeden voor de donkere kanten van het mensenbestaan. Als we met die donkere kanten worden geconfronteerd zeggen we dat ook: ‘waarom laat God dit toe, laat Hij toe dat ik zo ziek ben, zoveel pijn heb, zo ongelukkig ben’ en vult u zelf maar aan. Hoe groter ons onbegrip over wat ons overkomt, hoe pertinenter ons vragen: waarom toch? We lijken dan sprekend op verwende kinderen die, als het hen tegenzit, steeds maar weer zeggen: ‘En ík dan, ik kom tekort?’ Denk weer aan Petrus: ‘God verhoede dat’ zei Hij tegen Jezus toen Jezus met hem sprak over zijn komend lijden en sterven. ‘Dat niet, dát nooit, dát wil ik niet, zó wil ik God niet.’

Ik spreek in dit verband graag over de twéé gezichten van Jezus. Er is de Jezus die zijn lijdensweg aanvangt, op weg naar Jeruzalem gaat om daar, via de hof van Olijven, op Golgotha, door mensenhand het leven uitgejaagd te worden vanwege zijn manier om in Gód te geloven. Én er is de verheerlijking van Jezus op de berg Thabor, Jezus als een en al goddelijk licht. Het ene gezicht schijnt door het andere heen. Wij moeten beide gezichten altijd tegelijk zien. In Jezus aan het kruis moet je al Jezus’ verheerlijking op de berg zien, in Jezus op de berg Thabor moet je de gekruisigde mens zien. Het éne gezicht altijd doorheen het ándere: samen het éne gezicht van God.

En kijk dan naar jezelf: dat geldt ook voor jou. Door in arme, ten dode gedoemde Jezus op diens weg naar het kruis al het ándere gezicht van Jezus te herkennen en zo te gaan weten, met een heel diep geloof: ik, ook ík kom enkel tot leven van goddelijke snit, als ook ik de weg ga die ook Jezus is gegaan. En dus erin geloven: al wat mij overkomt, overkomen kan, overkomen zal in de wereld zoals die is, dat alles zal van gedaante veranderen als ik door dat alles heen de weg van Jezus zal gaan, de weg naar het geheim van God, op aarde zoals in de hemel.

Daarin geloven is: in ons maar al te aardse mensenleven verborgen mensengezicht van God zien, van Gods levenslicht. Jezus, Híj is het: de mens die zó op God lijkt dat Hij wel God zelf lijkt te zijn. Wat was dat voor een mens? Het was een mens die een en al verlangen was naar God, zó intens dat Hij wist: alles wat niet, nog niet, van God in mij is, alle zelfbehoud, al wat egoïsme is en zelfbekommernis van ik-op-de-eerste-eerste=plaats, moet sterven opdat God eigenste levenslicht opgaat in míj. Pasen.

De veertigdagentijd is de tijd waarin wij dát tot ons laten doordringen, meer en meer. Een tijd van loslaten, de éne weg naar Pasen gaan, die weg inoefenen, de weg om het te leren: alles loslaten, tot en met je ‘eigen’ leven, dát is de ware weg om het leven zelf dat Gód is te ontvangen. Een weg van bekering, van goed leren zien waar het uiteindelijk op aankomt in je aardse mensenbestaan: dat God, die enkel liefde is en dus enkel leven, meer en meer aan het licht zal komen in jóuw leven van vlees en bloed doordat je met héél je mensenbestaan zíjn liefde deelt met de mensen om je heen, tot het uiterste toe. Leven we zó naar Pasen toe. Amen

André Zegveld