Over zonde, vergeving en opstanding, dood en leven [Rom. 6, 3-13a]
Wij bereiden ons voor op Pasen, het feest van de opstanding uit de dood. We gelóven in die opstanding omdat we geloven in de vergeving van de zonden, en omgekeerd. Want dát is het mysterie van Pasen: zonde én vergeving, dood én leven. Paulus had het daarover.
Bij de geboorte begint voor ieder steeds hetzelfde verhaal over de ‘oude mens,’ de mens van ‘stof die weer tot stof zal vergaan.’ Maar de dood komt niet enkel aan het einde van ons leven, ons sterven begint al bij ons begin. Groeien is durven lóslaten, achter je laten, levenslang vertrouwde kaders en ideeën loslaten. Een geliefd mens sterft, en er gaat iets in onszelf dood. We takelen af en ons leven begint aan ons te ontglippen. Er zijn ook onze zwaktes en vormen van onvermogen die als een angel in ons vlees zijn gestoken, zodat we doen wat we niet willen en willen wat we niet doen. We zijn, zonder het te willen, verwikkeld in de onontwarbare geschiedenis van goed en kwaad, leven en dood, een geschiedenis die wij met alle mensen delen. We zijn allemaal Adam, stof dat weer stof wordt, stof dus dat ooit in een graf gelegd zal worden: de ‘oude mens.’ De wereld die bij onze geboorte begint, die van ons kleine privé levensverhaal, verdwijnt, lángzaam al tijdens ons leven en helemáál bij onze dood.
Toen Jezus in de hof van Olijven in doodsstrijd was, keek hij het duister in van het graf van de ‘oude mens.’ Hij zag díe dood onder ogen, het instorten van zijn toekomst, het verraad van zijn vrienden, het mislukken van zijn zending, de dood door hogerhand: dat het voor iedereen beter was als Híj er niet meer zou zijn. Maar anders dan zijn drie vrienden die dat niet konden aanzien en in slaap waren gevallen als waren ze al dood, bleef Jezus wákker en durfde in het duister blijven kijken. Een stríjd, tussen oud en nieuw. Want tégen de nacht van verlies en verraad zei hij: ‘Vader, dit níet; maar als het zó moet, dan aanvaard ik dat als uit uw hand.’ Hij blijft, ook op het einde, ‘Ja’ zeggen tegen de grote stilte van God, Gods stilte, die altijd aan ons antwoord voorafgaat.
In die stilte begint een nieuw levensverhaal, een verhaal over een heel ander sóórt leven dan het leven dat op het punt staat te verdwijnen, een verhaal over God, over liefde tot het uiterste toe, over eeuwig leven. Jezus kijkt in het graf van Adam, en ziet met de ogen van zijn geloof dat dit andere levensverhaal begint waar een mens durft lief te hebben. Héél zijn leven was hij er vol van geweest. Daarom durfde hij het op het einde zeggen: ‘Vader, ik geef mij tot het uiterste toe, en leg dat leven van Adam-in-mij in jouw handen. Zijn vrienden kunnen het niet aanzien. Pas later begrepen ze dat Hij niet domweg in de dood verdwenen was, maar dat Zíjn lévensverhaal deel geworden was van Góds verhaal, dat Hij leefde in het geheim van Gods liefde, God die steeds opnieuw mens wordt wanneer mensen hun Adamsverhaal willen gaan beleven en vertellen als het levensverhaal van Gód.
Ook wíj geloven dat de dood niet het einde is van ons levensverhaal, mits wij het op dezelfde manier willen leven en vertellen zoals Jezus dat heeft gedaan: als een ‘nieuwe schepping.’ Die nieuwe schepping begint al waar wij in liefde uitgaan naar anderen. Want net als Jezus geloven wij in God, en net als bij Jezus moet ook ónze liefde uitgaan naar mensen. Dat is écht leven, de oúde Adam helemaal níeuw.
Pas door dát te geloven weten we wat écht leven is. Maar tegelijk weten we dan ook, dat wij, kinderen van Adam, altijd in écht leven tekortschieten. Onze liefde is niet en nooit dé liefde, onze liefde put dé liefde niet uit, onze liefde voor anderen is altijd gemengd met eigenliefde. Dáárom vragen wij, mensen van de oude Adam, uit verlangen naar het leven van de nieuwe Adam, God om vergeving. Níet omdat God door ons verzoend zou moeten worden en daarom wacht op onze schuldbelijdenis. Níet omdat wij ervan doordrongen zouden moeten worden dat we slechte mensen zouden zijn. Neen, wij vragen om vergeving omdat we sterfelijke mensen van de oude Adam zijn die altijd tekortschieten, ook al verlangen we naar de oneindige liefde van God. Wij vragen om vergeving omdat we geloven dat we hier en nu geschapen worden met het oog op wat buíten ons bereik ligt, buiten onze eígen mogelijkheden. We vragen om vergeving omdat we nieuwe mensen willen worden maar dat uit eigen kracht niet kunnen. We vragen om vergeving omdat we weten dat we die nieuwe mens enkel kunnen ontvangen, als gift, om niet, en omdat we met het oog daarop aan de oude mens verlangen te sterven. Amen.
André Zegveld