Verloren en gevonden [Lc. 15, 1-32]

‘Deel in mijn vreugde…’

Verloren en gevonden  [Lc. 15, 1-32]

De bekende parabel over de verloren zoon is er één van drie, die alle gaan over iets dat verloren was en teruggevonden wordt: de verloren drachme, het verloren schaap, en hier dus de verloren zoon. Met drie keer de conclusie: ‘wees blij, deel in mijn vreugde, wees blij met Mij, God, want Ik verheug me wanneer wat verloren is wordt teruggevonden.’

‘Een mens had twee zonen.’ Wie zijn die zonen? Wij horen nu de parabel. Ze gaat dus over ons. We horen: wij hebben allemaal, in al de verscheidenheid zoals we hier bijeen zijn, één Vader: God. We horen dat we er zijn om, in al onze verscheidenheid, de vreugde van God te zijn. Want Hij verwacht van ons dat wij delen in Zijn vreugde dat mensen die verloren waren gelopen de weg teruggevonden hebben. En Hij verwacht van ons dat wij delen in Zijn vreugde om zo Zijn vreugde groter en groter te maken. Maar de parabel vertelt ook dat de oudste zoon, die het huis van zijn vader nooit heeft verlaten, buiten blijft staan, het huis niet binnengaat en zich voor de vreugde van zijn vader afsluit, heel anders dan de jongste zoon die het huis ooit had verlaten en ondanks dat nu wel binnengaat. Wij horen nu de parabel. De parabel heeft het over twee heel fundamentele levenshoudingen om met God, ons aller Vader, om te gaan.

‘Een mens had twee zonen.’ Eigenlijk moet je zeggen: die mens had dan wel twee zonen, zijn huis stond voor beiden wijd open, maar die twee hadden geen echte relatie met hun vader. Immers, de jongste zegt tegen zijn vader: ‘wanneer je dood gaat, krijg ik sowieso de helft van alles, geef die helft maar nu, dan kan ik er nu mijn eigen plezier van hebben.’ Hij wil zijn recht, zijn erfrechtDie mens geeft het hem, de jongste zoon verlaat het huis en draait er zijn erfdeel volledig door. Heeft hij oog voor zijn vader, ziet hij zijn vader? Hij ziet alleen wat hij pakken, hebben en opmaken kan. Hij ziet een instantie van wie iets te halen valt, geen vader. De oudste zoon is net zo. Hij is dan wel oppassend, braaf, een harde werker, altijd in het huis van zijn vader, altijd ‘met hem’, en omdat de jongste zijn erfdeel al heeft gehad, is alles van zijn vader al van hem. Maar heeft hij oog voor zijn vader? Hij ziet hetzelfde als zijn broer: een instantie van wie iets te halen valt. Alleen zijn manier van pakken is anders. Hij wil het verdienen, langs de weg van plicht en dienstbaarheid. Ook hij wil zijn recht.

Beide zoons staan dus op hun recht. Beiden zien hun vader niet als vader. Beiden bevinden zich feitelijk buiten het huis van hun vader. Beiden moeten nog oog voor hem krijgen, voor wie hij is en wie zij dus zijn: geen rechthebbers op, maar deelgenoten van eenzelfde liefde, liefde die om niet gegeven wordt. En beiden moeten nog leren: het belangrijkste is niet wat ze hebben en pakken kunnen, waar het om gaat is niet de plicht, het belangrijkste is wie ze zijn voor hun vader en voor elkaar. Maar alleen de jongste van de twee broers vindt die weg terug.

Het slot van de parabel wordt dan belangrijk. Wat daar opvalt, is de relatie tussen beide broers, of liever: hun gebrek aan relatie. Ze zeggen niets tegen elkaar. Ze spreken alleen met hun vader. Dat bederft diens vreugde. Daarom heeft het verhaal ook geen happy end. Er wordt niet gezegd dat de oudste zoon uiteindelijk toch naar binnen gaat om zijn broer te begroeten. Er wordt ook niet gezegd dat de vader zich uiteindelijk ook mag verheugen over de oudste zoon die verloren was en de weg terug heeft gevonden. Het verhaal heeft geen happy end. Althans: nog niet. Misschien moeten wij het verhaal afmaken, door ons in de twee zonen te herkennen, in hun levenshoudingen door de weg naar elkaar te vinden en zo God tot vreugde te zijn.

Gaat deze parabel dan eigenlijk niet over opengaan, opengaan voor de liefde van God, voor de liefde die God is, een liefde waar wij, mensen, geen recht op hebben, een liefde die er zomaar is, onverdiend en onverplicht, een liefde die je mag zien wanneer je je naaste herkent, zoals Jacob na jarenlange verwijdering eindelijk oog kreeg voor zijn broer Ezau en toen zei: ‘wanneer ik jou zie, is het alsof in God recht in het gezicht kijk?’ God wacht daarop. Hij staat op de uitkijk. Want pas wanneer dat gebeurt, wanneer een mens niet alleen de liefde van God, maar in die liefde van God ook zijn naaste herkent, pas dan is Gods vreugde volkomen, ja dan zijn wij samen de volkomen vreugde van God. De parabel moet daarom nog afgemaakt worden, door ons.

Jezus vertelt deze parabel aan al die mensen die Hem achterna lopen: verloren gelopen mensen, vertwijfelde mensen, mensen aan de rand, mensen die dachten: ‘het wordt nooit meer wat met mij’, gewone mensen net als wij. Hij zegt: ‘God, Hij is als een vader die op je wacht, op jou. Voor Zijn liefde hoef je niets te doen, Zijn liefde is ook altijd groter dan wat jij ervoor gedaan of van vermorst hebt, Hij gunt jou het leven.’ Wanneer je dat gelooft, hoef je niet naar een ver land te gaan om van het leven te kunnen genieten, zoals de jongste zoon. Je hoeft je er ook niet voor uit te sloven, zoals de oudste dat deed. Rechten gelden hier gewoonweg niet. Wanneer je rechten laat gelden, geloof je niet in de liefde van God, geloof je niet dat jij zijn geliefde bent. Maar dat geldt nooit voor jou alléén. Enkel als je van daaruit de weg naar de ander vindt, vult het huis van God zich met vreugde. Iedereen was verloren, niemand had recht op Gods liefde, en allen hebben de weg terug naar Hem moeten vinden.

‘Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan’, zegt de jongste zoon. Het gaat dus om opstaan, om verrijzenis. Ik zal opstaan, ik kies ervoor om tot leven te komen, niet om wat ik hebben kan, niet om wat ik doen kan, maar om wie ik beneen mens van God, samen met al de anderen mensen van God. Dan wordt het Pasen. Mogen we uit dat geloof tot leven komen. Amen.

André Zegveld