Waar lijkt God nog het meeste op? Mattheüs 13, 24-43

“Wie oren heeft, moet dát goed horen”

Waar lijkt God nog het meeste op?     Mattheüs 13, 24-43

We hoorden deze zondag, net zoals de vorige zondag en zoals het ook de komende zondag het geval zal zijn, wij hoorden zojuist parabels van Jezus, vergelijkingen dus die Jezus maakte om duidelijk te maken hoe Gods rijk, Gods eigen leefgebied tussen en temidden van de mensen komen zal, om uit te leggen dus hoe God, op een heel verborgen manier, er alles aan doet om de mensenwereld zoals die is te veranderen in Zijn eigenste domein en leefgebied dat Hem al vanaf den beginne voor ogen heeft gestaan. Parabels, vergelijkingen dus over hoe je je God, “niemand heeft Hem ooit gezien,” moet voorstellen en waar de werkzaamheid van God in de wereld van alledag nog het meest op lijkt. “De komst van Gods rijk tussen en onder de mensen lijkt nog het meest op….” en dan vertelt Jezus een vergelijking, een parabel, zelfs een groot aantal parabels daarover. Vergelijkingen die allemaal zeggen: je moet, als het over de Gods komst in de wereld gaat vooral niet te groot en te spectaculair denken, dus niet voornamelijk denken aan stoeten kardinalen in Rome, strak in het gelid, allemaal dezelfde mijters op en zo, heel imposant en imponerend alsof dát een beeld zou zijn van Gods macht en majesteit.

Neen, zegt Jezus: de komst van Gods rijk lijkt nog het meest (en dát hoorden we vandaag en dáár wil ik met u vandaag bij stil staan) op een vrouw die brood wil gaan bakken, en die met het oog daarop bloem/meel met water mengt tot deeg en daar een beetje gist doorheen werkt. Misschien dacht Jezus wel aan zijn moeder, had Hij haar dat -tig keer zien doen, en was het, toen Hij dat zag, in Hem opgegaan: dáár lijkt de komst van Gods rijk nog het meeste op, ja, op díe manier is God aan het werk om van de mensenwereld die is zoals die is Zíjn leefgebied te maken, Zíjn rijk. God legt niet van hoog van de toren zijn wil op, neen, God verandert de mensenwereld van binnenuit en van onderop, op een stille en verborgen manier. En wíj, wij mensen die met God aan de komst van diens rijk verlangen mee te werken om de wereld zoals die is te vermenselijken, leefbaarder te maken en te veranderen in Gods eigenste leefgebied van waarheid, wíj moeten dat doen op Zíjn manier: door van binnenuit in de wereld de gist te brengen van Gods mensenliefde en Gods levensvreugde. Dan scheppen we met God mee aan zíjn rijk. En Jezus zegt: denk toch niet te groots daarover, van dag tot dag daarmee beginnen is al genoeg, als je maar nooit met beginnen ophoudt, nooit ermee zult ophouden om je van heel dichtbij in te zetten voor de mensenwereld die God al vanaf den beginne voor ogen heeft gestaan. Als jij en ik en jij en jij met God willen mee willen werken aan de komst van Gods rijk, aan de totstandkoming van een menswaardiger mensenwereld, dan moeten we dat doen op Góds manier, niet vanuit den hoge, met veel dwang en geweld, maar vooral heel klein en gewoontjes, net zoals een vrouw een klein beetje gist door een massa onsmakelijk deeg kneedt, om er smakelijk brood van te kunnen bakken.

Waar moet je dan aan denken wanneer het gaat over de komst van Gods rijk, Góds eigenste mensenwereld? Denk daar dus vooral niet te groot en te groots over, durf heel alledaags te gaan zoeken naar het begin van Gods komst tussen en onder de mensen: Gods komst in de vorm van een bekertje koud water voor een dorstig kind; Gods komst in de vorm van een doodgewoon gesprekje met een verdrietig mens; Gods komst doordat jíj een eindje met een vereenzaamd mens mee oploopt en dan belooft dat je dat vaker zal gaan doen; Gods komst door de krant voor te lezen aan een slechtziende mens; Gods komst door met een liefdevolle aandacht en zonder te verlangen naar Bach of Beethoven, te luisteren naar iemand die zonder veel succes probeert piano te spelen ; en vult u zelf maar aan. De komst van Gods rijk is altijd veel dichterbij dan je denkt. Maar wij, zogenaamde ‘grote mensen,’ wij staren ons vaak blínd op wat groot en groots is als het gaat over de komst van Gods rijk, we staren ons met een groot verlangen naar een ‘nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ die maar niet komen willen, en zo. en zien op díe manier aan de alledaagse, nederige en onaanzienlijke komst van God voorbij.

Gods rijk, Gods leefgebied, de komst ervan: het is niet iets dat ergens is en kant en klaar, imposant en imponerend, op jou wacht. Het is iets dat jou overkomt, overkomen kan, iets waar je je voor open moet stellen en waarvoor je de grote de verlangens die in je leven moet durven lóslaten. Gods komst: iets dat kan gebeuren, iets dat je leven op scherp zet, iets nieuws, iets onverwachts, nooit op die manier aan gedacht, alledaags, heel gewoon en van mens tot mens: Gods komst, Gods menswording van de een in de ander. Laat een dorstig kind, een verdrietig of vereenzaamd mens toch nooit aan jou voorbijgaan.

Vragen we het ons af, ieder voor zich, want je kunt die vraag aan niemand delegeren, niet aan je beste vriend, niet aan jouw levenspartner, niet aan de pastoor, niet aan de bisschop en je hoeft er ook niet naar Rome voor te gaan. Vragen we het ons één voor één af: zoek ik die wel éne schat in de akker van mijn leven; zoek ik met heel mijn hebben en houden naar de komst van God in mijn mensenbestaan, zoek ik wel nederig genoeg, of verblínd ik mijzelf met verlangens die God, Gods nederigheid en dus Gods onaanzienlijke komst onzichtbaar maken? Leef je, vraagt Jezus ons vandaag heel uitdrukkelijk, leef je als de mens die je bent, niets minder maar vooral ook niets méér, leef je je leven als één grote zoektocht naar waar God jou zomaar overkomen kan, nederig en van onderop; leef je jouw leven als dé plek waar Hij jou aanspreekt wanneer je mensen ontmoet en met hen spreekt van mens tot mens: sta je dáár open voor Gods komst, onverwacht en nooit bedacht, of ben je daar bang voor en kies je ervoor om jezelf op te sluiten in de grootse verlangens van jouw eigen slakkenhuis? Durf je, zegt Jezus, durf je ópengaan voor God, voor (als ik dat zo zeggen mag) voor Góds droom over een goede mensenwereld die Hij voor alle mensen in petto heeft, nooit zónder maar altijd samen mét ieder van ons, één voor één. “Wie oren heeft, moet dát goed horen.” Bidden we daarvoor. Amen

André Zegveld