‘Ik ben het licht der wereld’
Een lang evangelieverhaal: over leren zíen wat je normaliter níet ziet, over gaan ínzien waar het op áánkomt door naar de mensen te gaan zien met de ogen van Jezus. Want Jezus laat ons zien hoe Gód naar zijn mensenkinderen kijkt en ómziet. Dat zijn de twéé scharníerpunten van het lange verhaal van vandaag: Jezus’ wóórden over zien en niet zien, en dat Hij dat alles zei toen Hij ‘in het voorbíjgaan een blindgeborene zag.’
Een blindgeborene, een mens dus die nooit iets heeft gezien en niet eens weet wat licht is. Jezus genéést die man. Hij zalft diens ogen met speeksel en slijk, net zoals God in den beginne de mens boetseerde uit leem en adem, en Jezus zegt tot hem: ‘kom tot het licht.’ Maar ook de blinde zelf moet iets doen. Jezus zegt hem: “Ga jouw ogen wassen met het water van de Gezondene, van Jezus dus.” De blindeman doet dat en begínt te zien, begint Jezus te zíen, begint ín te zien wie Jezus is, steeds scherper, en langzaam vallen hem de schellen van de ogen. Hij ziet wie Jézus is en waar het in het leven om te doen is.
Een les voor de omstanders, voor ons dus: dat je, als je enkel met de ogen in je hóófd kijkt, je nog niet ziet wat je enkel met de ogen van je hárt kunt zien, met de ogen dus van jouw gelóóf in Jezus. Kijk maar naar de omstanders: die zijn dan wel niet blind, maar ze zíen niets. De blinde wordt ziende, híj gaat door zijn geloof in Jezus zíen wat je moet gelóven, terwijl de omstanders wegzakken in het duister van hun ongeloof. Jezus wil ons ziende maken doordat wij leren kijken met Góds ogen. Wat is het verschil tussen de blindgeborene en de omstanders? De blinde is door de ontmoeting met Jezus, de Gezondene, als het ware opnieuw geboren, want Jezus doet met de blinde wat God in den beginne met íedere mens doet, en Jezus zegt: “Ík bén er opdat de niet-zienden zullen zien en de zogenaamde zienden blínd worden.”
Een verhaal over óns hier. Wij zijn allemaal gedoopt en gevormd, wij rekenen ons gemakkelijk tot de zienden. Opníeuw geboren worden, opníeuw leren zien, leren zien met de ogen van Gód: daar ben je heel leven mee bezig, levenslang dus en met alles van je leven. Hoe leren zíen? De evangelielezing geeft ons dat zelf aan, al bij het begin, daar staat, en we lezen daar meestal overheen: ‘Jezus ziet in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.” Let op deze drie woorden: ‘in het voorbijgaan.’ Die staan er niet voor niets. Ze zijn een verwijzing naar de allereerste Paasnacht. De Israëlieten moesten toen het bloed van het Paaslam aan hun deurposten smeren, want dán zou Gód aan hun huis voorbíjgaan en hen sparen voor de dóód. ‘In het voorbijgaan zag Jézus een blinde die zo goed als dood was, zoals Gód ooit in Egypte in het voorbijgaan ómzag naar de ellende van zijn volk. Zó ziet Gód naar zijn mensenkinderen: Hij kíjkt er niet enkel naar, Hij laat zich erdoor ráken, Hij is begáán met de mensen die Hij ziet, zoals Jezus de blindgeborene zíet én met hem begáán is.
Leren zien op Gods manier. Wat is die manier? Dat is: zíen én je betrókken weten op wat je ziet; je laten ráken door wat je ziet; álles zien en daar niet onverschillig bij blijven; om je heen kijken zoals God naar de mensen ziet. God kijkt niet vanuit de verte naar de ellende van mensen, neen, Hij kan dat niet aanzien, het grijpt Hem naar de keel, Hij doet er wat aan, en Hij zet er zich voor in. Dat was het grote wonder van die eerste Paasnacht en het begin van de uíttocht uit Egypte: God kíjkt niet naar mensen, Hij laat zich door hen raken, Hij wordt door hen aangedaan, Hij ziet naar hen om.
Jezus wil ons écht ziende maken doordat ook wíj zullen gaan kijken op de manier waarop Gód naar ons kíjkt en ómziet. Jezus zegt dus vandaag tegen óns: ‘Wees in je leven toch geen omstander die naar de mensen kijkt met grote maar buitengewoon afstandelijke televisie-ogen. Kijk toch op de góede manier naar de mensen om je heen, durf je te laten raken door de ellende van anderen om dán, op jouw manier, te gaan doen zoals Ik, God, zíet en gaat dóen. Anders ben je stekeblind, kijk je wel naar van alles en nog wat, maar zie je niets. Naar mensen kíjken is ómzien naar elkaar. Weet goed: als je niet naar de mensen om je heen ómziet, zie je aan Mij, God, voorbij en leef je in het duister van de nacht nergens naar toe.’ Bidden we dat wij zíende mensen mogen worden, mensen die leven in het eigen licht van God. Want dan wordt het Pasen, niet enkel op 4 en 5 april, maar op alle 365 dagen van het jaar. Amen
André Zegveld