Hemelvaart: Op aarde leven zoals in de hemel

Waar God is, daar is de hemel. En daar is hij, Jezus Christus, één van ons. Waar hij is, daar moeten ook zijn leerlingen zijn, op aarde zoals in de hemel.

Hemelvaart van onze Heer, we hoorden er twee verhalen over, van Lucas en van Mattheüs, twee van elkaar verschillende verhalen, elk met de Blijde Boodschap vertolkt in een andere toonsoort, over Jezus die, opgestaan uit de dood, met lichaam en al verdwenen is in het eigen geheim van God, en over wat dat betekent voor zijn leerlingen, zijn vrienden, ons.

‘De hémel is van Gód, de áárde heeft hij aan de mensen gegeven’ zegt de Psalm (Ps. 115, 16). De hemel: Gods eígen domein, Gods binnenkamer, net zoals een mens een binnenkamer heeft, zíjn eigen domein (Mt. 6, 6). De hemel: Gods eígen en verbórgen domein, een geheim van ‘ontoegankelijk licht’ (1 Tim. 6, 16), licht van louter leven en liefde. Dáárin in Jezus opgestegen, verdwenen, helemaal. Hij, één van ons, een mens als wij, ópgegaan in Gods intimiteit. Hij laat, na zijn verrijzenis, ‘zijn wonden zien, zijn handen en zijn zijde’ (Lc. 24, 39-40; Joh. 20, 20.25-27), als om duidelijk te maken: ‘ík ben het, ík, met heel mijn ménsenleven en ménsengeschiedenis binnengegaan in Gods intimiteit.’ Ons christelijk geloof is het énige geloof dat dát durft zeggen: dat een ménsenlichaam een plek heeft in de verborgen diepten van God, ja, dat een mens déél uitmaakt van het eigen leven en bewegen van God. Durven we dat geloven? Wat houdt dat voor ons in? Toen de leerlingen de verrezen Heer zagen, zegt Mattheüs, ‘geloofden ze en twijfelden’, allebei tegelijk. Het woord ‘sommigen’ in uw boekje, ‘sómmigen twijfelden’, dat ‘sommigen’ staat er helemaal niet, er staat: ‘zij wierpen zich in aanbidding neer, ze gelóófden en ze twijfelden.’

De hemel, de intimiteit, de binnenkamer van God. Jezus had er onophoudelijk over gesproken, telkens als hij het had over het Rijk van God, het Rijk der hemelen, hoe je er binnen raakt, hoe je (huiselijk gezegd) de deur naar die binnenkamer vinden kunt, gewoon in je leven van alledag, en hoe gemakkelijk je daaraan voorbíjziet. Dat Rijk, zei hij, is midden in je leven, is het middelpunt van je leven, maar je ziet het niet (Joh. 1, 26). Hij heeft het dan over zijn project menswording: een waardig en onbekommerd leven voor íeder mens en voor álle mensen gelíjkelijk, bevrijding, vergiffenis, onderlinge liefde als laatste woord: Rijk van God, Rijk der hemelen. Zó wordt een mens intiem met God, zó gaat een mens Gods binnenkamer binnen. De hemel. Een opdracht. Een opdracht die des te dringender wordt nu Jezus uit het zicht verdwijnt.

‘Ze aanbaden, geloofden, twijfelden.’ Twijfelden ze aan wat ze zagen? Ze twijfelden, denk ik, aan zichzelf, ze zagen hun eigen armzalig leven, hun wankelmoedigheid, hun vlucht toen het erop aankwam, hun verraad. Ze waren door Jezus ‘vrienden’ genoemd, maar waren ze wel echte vrienden geweest? Verlangden ze wel echt om Jezus achterna te gaan, op zoek naar dat kleine piepgaatje waar je doorheen moet om dat Rijk der hemelen binnen te gaan? Ze horen: ‘niet gaan staren en verstarren, niet naar bóven kijken, naar de blauwe hemel overdag en de donkere hemel ’s nachts. ‘Blijf niet staren op wat vroeger was, sta niet stil bij het verleden. Ik ga iets nieuws beginnen, zíe je het niet’ (Jes. 43, 19)? Zíen jullie niet dat ik, Jezus, mens als jullie, jullie vooruitgelopen ben, en dat ook het ménsenleven van jullie, met het verleden ervan, hoe getekend ook door wat jou aan verzuim en verwonding is overkomen, ópgenomen zal worden in het geheim van God zelf? Een opdracht om zélf de weg van Jezus te gaan en díe weg, levenderwijs, te verkondigen. Geloven: daar waar God is, dáár is de hemel, dáár is híj, Jezus, en waar híj is, dáár moeten de leerlingen zijn, op áárde zoals in de hémel. Wat is de hemel, waar is de hemel? De hemel is de intieme relatie met Gods binnenkamer, Gods binnenste, vanuit jóuw binnenste binnenkamer. Dat is de toekomst van jou, de toekomst van ieder mens, van alle mensen tezamen: intiem raken met God, op de manier waarop Jezus dat is geweest.

‘Gaat dan en maakt alle mensen tot leerlingen.’ Er staat niet ‘tot míjn leerlingen’, er staat kort en bondig: ‘tot leerlingen’: maak alle mensen tot léérlingen, tot mensen die nieuwsgierig zijn naar dat grote geheim: dat hun mensenleven déél uitmaakt van het verborgen leven en bewegen van God. Maak de mensen tot léérlingen. Want een leerling wéét niet, maar vráágt, stelt zich open, zijn oren en ogen en hart, ontvankelijk. Om de Blijde Boodschap goed te kunnen verkondigen moeten de leerlingen van Jezus, gelovige twijfelaars, twijfelende gelovigen, ook zelf léérling zijn en blijven. Jesaja zegt het zó: ‘De Héér leert mij spréken zoals léérlingen spreken, hij opent morgen aan morgen mijn hart om álles als een leerling te horen’ (Jes. 50, 4). Leren horen en spreken als een léérling, zó spreken dat de ánder aan het woord kan komen, zó horen dat de ander bij jóu binnenkomt, van binnenkamer tot binnenkamer. Want ‘Ik (God) schrijf in de binnenkamer van ieder mens mijn levenswet; dáárom zal de een de ander niet meer leren…Iedereen kent Mij’ (Jer. 31, 34). Maakt, zegt Jezus, mensen tot zúlke leerlingen, niet tot goede katholieken die gehoorzaam zijn aan de bisschop, neen, maakt hen tot zulke léérlingen, tot mensen die levenslang leren luisteren naar de hartslag van het leven, nieuwsgierig naar waar het op aankomt in het leven, naar wat er ten diepste beweegt in hun eigen binnenkamer. ‘En dompel die mensen dáárom onder in het drievoudig geheim van God,’ een geheim dat wij, mensen, nu eenmaal niet in één woord kunnen uitzeggen: God die Váder is, bron en oorsprong van ons leven; God die Zóón is, als méns, als het oerbeeld van íeder mens, verschenen in Jezus; God die heilige Géést is en in ieder van ons en in ons allen tezamen tot voltooiing wil komen, alles in allen. Maakt mensen tot leerlingen, nieuwsgierig dáárnaar; dompel hen onder in dát geheim, en leer hen om met hun eigen mensenleven mee te bewegen met het geheim van het leven zelf van God. Zo worden mensen wat ze zijn, broeders en zusters van elkaar, zonen en dochters, één in menselijkheid, een menselijkheid van vrijheid, durven loslaten, er voor elkaar bestaan, een menselijkheid zoals die in Jezus verschenen is, een menselijkheid die een plek heeft in de verborgen diepte van God zelf. Rijk van God, Rijk der hemelen.

Een ópdracht, de róeping van de kerk. De roeping van de kerk is uiteindelijk: contemplatie, zien en laten zien waar het in het leven op aarde uiteindelijk op aankomt, zó aantrekkelijk dat mensen daar ook zelf naar zullen gaan verlangen, als leerlingen. Op díe manier is de verrezen Heer bij haar, in haar midden, haar middelpunt. ‘Zie, ik ben met jullie, tot aan de voltooiing van de wereld,’ totdat God alles zal zijn in allen (1 Kor. 15, 28).  Bidden we dat wij zulke léérlingen mogen zijn, dat ons leven als leerling aanstékelijk zal zijn, en dat wij allen tezamen tot léven zullen komen: op áárde zoals in de hemel. Amen.  

André Zegveld

Lees verder...

Preek van de week

27-01-2020

Hoe ziet een mens in wie Góds Woord vlees en bloed wordt eruit, een mens die laat zíen hoe je leven moet zónder door de

Lees meer
Preek van de week

Preek van de week

27-01-2020 Lees meer

Geschiedenis schrijf je samen

03-12-2019

Op 22 november herdachten wij in Denekamp het 150 jarig bestaan van onze congregatie, de congregatie van der zusters Fra...

Lees meer
Geschiedenis schrijf je samen

Geschiedenis schrijf je samen

03-12-2019 Lees meer

Kerstmis

26-11-2019

Nog een paar dagen, en dan vieren wij het feest van Kerstmis: de geboorte van Jezus. Op 24 december vieren we de Kerstna

Lees meer
Kerstmis

Kerstmis

26-11-2019 Lees meer